IT 3262

Conclusie P-G: geen doorbreking rechtsmiddelenverbod

Parket bij de HR 4 september 2020, IEF 19446; ECLI:NL:PHR:2020:779 (Professionele fotografen) Auteursrecht. Bewijsrecht. Zie eerder [IEF 18526]. Eiseres en verweerder zijn professionele fotografen. Verweerder spreekt eiseres aan in verband met beweerdelijk gebruik van culinaire foto’s op de website van eiseres. De kantonrechter wijst de vordering van verweerder af. Het hof wijst de vordering toe. In cassatie wordt geklaagd dat de raadsheer ten overstaan van wie het voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden, op grond van art. 155 Rv het eindarrest had behoren mee te wijzen, dan wel dat het hof van een afwijken van deze regel en de oorzaak daarvan in het bestreden arrest melding had behoren te maken.

Lid 2 van art. 155 Rv bevat een rechtsmiddelenverbod. In de procesinleiding is niet gesteld dat en waarom het rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken. Voor de volledigheid wordt de vraag toch beantwoord of het niet naleven van de voorschriften van art. 155 Rv een schending van een zodanig fundamenteel beginsel oplevert, dat het rechtsmiddelenverbod van de tweede volzin van art. 155 Rv kan worden doorbroken. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Het tweede onderdeel betreft een klacht over schending van art. 21 Rv. De vraag of partijen aan art. 21 Rv hebben voldaan is echter aan de feitenrechter. De P-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

2.21. (…) de onderhavige zaak betreft een extra dimensie die m.i. maakt dat het rechtsmiddelenverbod van de tweede volzin van art. 155 lid 2 Rv niet kan worden doorbroken. Dat is de omstandigheid dat het hier gaat om een eindarrest dat niet is meegewezen door de raadsheer-commissaris ten overstaan van wie het voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden

2.28. Ik geef dan ook de voorkeur aan de in art. 155 Rv tot uitdrukking gebrachte efficiencygedachte51 dat de rechter ten overstaan van wie een voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden indien mogelijk, het vonnis in de hoofdzaak zal wijzen of medewijzen, maar dat, indien het niet mogelijk is, het onmiddellijkheidsbeginsel niet in het geding is.

2.30. Ik wijs daarnaast op de bijzonderheden van dit geval, met name het tijdsverloop en het feit dat het voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden nadat de hoofdzaak van de rol was gehaald. [verweerder] is namelijk bij exploot van 26 november 2012 in hoger beroep gekomen bij het hof. De procedure is vervolgens op verzoek van partijen aangehouden in verband met onderhandelingen en uiteindelijk is de procedure ambtshalve doorgehaald. Vervolgens is bij beschikking van 17 oktober 2013 het verzoek van [verweerder] om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten door het hof toegewezen en zijn in 2014 (5 februari en 20 mei) door de raadsheer-commissaris getuigen gehoord. De memorie van grieven van [verweerder] is genomen op 16 mei 2017. Het hof heeft partijen bij tussenarrest van 7 augustus 2018 gelegenheid geboden voor pleidooi en op 11 juni 2019 is eindarrest gewezen. Dit eindarrest is dus meer dan vijf jaren na het voorlopig getuigenverhoor gewezen.

2.43. Nu [eiseres] niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep met betrekking tot onderdeel 1 en onderdeel 2 faalt, dient het cassatieberoep te worden verworpen met een beslissing van Uw Raad omtrent de (hoogte van de) proceskosten.

Afbleeding: 377053 via PixaBay.