30 jan 2026
Conclusie P-G: TPC terecht ontvankelijk; WAMCA-eisen mogen geen te hoge drempel vormen
Parket bij de HR 30 januari 2026, IT 5118; ECLI:NL:PHR:2026:129 (Stichting the Privacy Collective tegen Oracle NL, Salesforce). In een collectieve WAMCA-procedure tegen Oracle en Salesforce staat de ontvankelijkheid van belangenorganisatie The Privacy Collective (TPC) centraal. TPC stelt dat beide bedrijven via cookies persoonsgegevens van miljoenen internetgebruikers verzamelen, deze combineren met offline gegevens en daarmee profielen opbouwen die voor gepersonaliseerde advertenties aan derden worden verkocht. De rechtbank Amsterdam verklaarde TPC niet-ontvankelijk wegens onvoldoende representativiteit en gebreken in governance en transparantie [IT 3762]. Het hof Amsterdam oordeelde in hoger beroep echter dat TPC wél aan de ontvankelijkheidseisen voldoet. Volgens het hof is voldoende dat een niet-te-verwaarlozen aantal personen achter de actie staat; een exact aantal of volledig inzicht in alle individuele gedupeerden is niet vereist.
In cassatie klagen Oracle en Salesforce onder meer dat de organisatie al bij het uitbrengen van de dagvaarding aan alle ontvankelijkheidseisen moest voldoen. De procureur-generaal verwerpt die klacht. De ontvankelijkheid moet volgens hem ex nunc worden beoordeeld: de rechter kijkt naar de situatie ten tijde van de beslissing, zodat een belangenorganisatie gebreken tijdens de procedure kan herstellen. Daarnaast hoeft in de ontvankelijkheidsfase nog niet te worden beslist of aan artikel 80 AVG (collectieve vorderingen zonder mandaat van betrokkenen) is voldaan. De conclusie strekt er daarom grotendeels toe de cassatieberoepen van Oracle en Salesforce te verwerpen, al acht de P-G het onjuist dat het hof de zaak heeft terugverwezen naar de rechtbank: de appelrechter moet de zaak in beginsel zelf afdoen.
13.48 TPC klaagt ten eerste dat het hof miskent dat de rechter in hoger beroep de zaak na vernietiging van een einduitspraak (in beginsel) niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg (onderdeel 4.2). Vervolgens wordt daar in onderdeel 4.3 aan toegevoegd dat het hof er aan voorbij ziet dat het terugwijsverbod in geval van een onterechte niet-ontvankelijkverklaring in eerste aanleg, mede in het licht van de daardoor beoogde efficiëntie en doelmatigheid – ook geldt voor de WAMCA-procedure. De aard en inrichting van de WAMCA-procedure maken dat niet anders; alle stappen van de WAMCA-procedure kunnen ook in hoger beroep worden doorlopen. In ieder geval, zo vervolgt het onderdeel, geldt het terugwijsverbod onverkort als de WAMCA-vordering slechts door een art. 3:305a BW-rechtspersoon is ingesteld, zoals in de onderhavige geval aan de orde is. In onderdeel 4.4. wordt tot slot nog opgemerkt dat in het terugwijsverbod in zijn algemeenheid reeds is verdisconteerd dat partijen mede met het oog op de door het hof genoemde belangen, bij een onterechte niet-ontvankelijkverklaring niet twee volledige feitelijke instanties kunnen doorlopen, maar de procedure bij het hof voortzetten.
13.49 Uit wat hiervoor is besproken volgt dat m.i. in WAMCA-zaken geen uitzondering moet worden gemaakt op het terugwijsverbod. In de afweging tussen enerzijds het belang van een efficiënte procesgang en anderzijds het belang van een behandeling van de zaak in twee feitelijke instanties, dient het eerste belang zwaarder te wegen. Gebleken is dat WAMCA-procedures nu al heel lang duren, waardoor het doel van de WAMCA om tot een efficiënte en effectieve afwikkeling van massaschade te komen onder druk staat.
13.50 Hiermee slagen de klachten van onderdeel 4 in het incidenteel cassatieberoep.