15 sep 2026,
Eenjarig verbod op uitlatingen over advocatenkantoor na verstek
Rb. Midden-Nederland 15 september 2026, IT 5558; ECLI:NL:RBMNE:2026:6352 ([eisende partij] tegen [gedaagde partij]). [eisende partij], een advocatenkantoor, vorderde in kort geding onder meer een verbod voor [gedaagde partij] om bepaalde uitlatingen over het kantoor te doen. [gedaagde partij] verscheen niet op de mondelinge behandeling, waarna tegen haar verstek werd verleend. Haar kort voor de zitting ingediende verweerschrift met producties en tegenvorderingen bleef buiten beschouwing, zowel vanwege het verleende verstek als omdat de stukken minder dan één werkdag voor de zitting waren ingediend en [eisende partij] daardoor onvoldoende gelegenheid had daarop te reageren. Bij verstek worden de vorderingen op grond van artikel 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegewezen, tenzij zij de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen. [eisende partij] had gemotiveerd gesteld dat de Google-reviews van [gedaagde partij], waarin onder meer werd beweerd dat het kantoor niet volgens de beroeps- en gedragsregels handelde, bewust op escalatie aanstuurde en geschillen liet escaleren om meer geld te verdienen, onrechtmatig waren. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om [gedaagde partij] gedurende één jaar te verbieden om zelf of via een derde, via onder meer e-mail, WhatsApp, Google Reviews, de pers of sociale media, uitlatingen van de in het vonnis omschreven strekking over [eisende partij] te doen. Aan iedere overtreding is een dwangsom van € 5.000 verbonden, tot een maximum van € 50.000.
De overige vorderingen worden deels afgewezen. De gevorderde verklaringen voor recht kunnen in kort geding niet worden gegeven. Voor een rectificatie bestaat volgens de voorzieningenrechter onvoldoende belang, omdat de Google-reviews na drie dagen waren verwijderd, slechts twaalf likes hadden gekregen en niet was gebleken dat [eisende partij] daardoor klanten had verloren, terwijl een rectificatie de uitlatingen juist opnieuw onder de aandacht zou kunnen brengen. Ook een algemeen verbod op intimiderende of onrechtmatige berichten wordt afgewezen omdat het te vaag en te ruim is geformuleerd. Verder hoeft [gedaagde partij] niet de namen en telefoonnummers te verstrekken van deelnemers aan een groepsapp waarin volgens haar een oproep was gedaan om het kantoor te bezoeken. De voorzieningenrechter oordeelt dat gewichtige redenen als bedoeld in artikel 195 in samenhang met artikel 194 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zich daartegen verzetten, gelet op de privacy van de betrokken personen en het ontbreken van concrete aanwijzingen dat de aangekondigde actie daadwerkelijk zou plaatsvinden. [gedaagde partij] wordt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van € 1.811,08.
4.9.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
4.9.1.
De vorderingen onder I en II betreffen een verklaring voor recht wat in kort geding niet kan.
4.9.2.
De rectificatievordering (vordering onder IV) wordt afgewezen, omdat daarbij geen voldoende belang is. Het doel van een rectificatie is het beperken van schade.
De Google reviews van 2 en 4 september 2026 zijn op 5 september 2026 door [gedaagde partij] verwijderd, en hebben dus maar drie dagen op het internet gestaan.De reviews hebben in die korte periode slechts 12 likes gekregen. [eisende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij (nog) geen klanten is verloren door de Google reviews, en dat zij er geen zicht op heeft of zij door die reviews minder nieuwe klanten zal werven. Onduidelijk is of degene die de reviews hebben geliked überhaupt klant van [eisende partij] zouden zijn geworden. Onder deze omstandigheden heeft een rectificatie weinig zin. Er valt immers geen of nauwelijks schade meer te beperken. Daarbij komt dat door een rectificatie de onrechtmatige uitlatingen juist weer onder aandacht worden gebracht, wat een negatief bijeffect kan hebben.