IT 3082

EHRM: privacy ontslagen werknemers niet geschonden

De Grote Kamer van het EHRM 17 oktober 2019, IT 3082, IEFbe 3057(Lopez Ribalda/Spanje) Een supermarktmanager had middels een verborgen camera winkelmedewerkers gefilmd op verdenking van diefstal. De medewerkers bekenden schuld, waarna zij werden ontslagen. De medewerkers waren van mening dat hun privacy was geschonden en wendden zich tot het EHRM. In hun eerste arrest van 9 januari 2018 werd geoordeeld dat het recht op privacy van de ontslagen werknemers is geschonden. De Spaanse regering was het niet eens met de beslissing van het EHRM en verzocht om een verwijzing van de zaak naar de Grote Kamer.

Het eerdere arrest van het EHRM is vernietigd. Op haar oordeel dat de privacy van de ontslagen werknemers niet geschonden is, heeft de Grote Kamer onder andere ten grondslag gelegd dat:

(i)                  de video-surveillance slechts op een deel van de winkel zag,
(ii)                de duur van de surveillance van 10 dagen niet langer was dan noodzakelijk om de diefstal aan het licht te brengen,
(iii)               de verdenking zag op ernstig wangedrag, en
(iv)               er gefilmd werd in een openbare ruimte en niet in een toilet of kleedkamer.

134.  However, in the specific circumstances of the present case, having regard particularly to the degree of intrusion into the applicants’ privacy (see paragraphs 125-26 above) and to the legitimate reasons justifying the installation of the video-surveillance, the Court finds that the employment courts were able, without overstepping the margin of appreciation afforded to national authorities, to take the view that the interference with the applicants’ privacy was proportionate (see, for a similar situation, Köpke, cited above). Thus, while it cannot accept the proposition that, generally speaking, the slightest suspicion of misappropriation or any other wrongdoing on the part of employees might justify the installation of covert video-surveillance by the employer, the existence of reasonable suspicion that serious misconduct has been committed and the extent of the losses identified in the present case may appear to constitute weighty justification. This is all the more so in a situation where the smooth functioning of a company is endangered not merely by the suspected misbehaviour of one single employee, but rather by the suspicion of concerted action by several employees, as this creates a general atmosphere of mistrust in the workplace.

137.  Under those circumstances, having regard to the significant safeguards provided by the Spanish legal framework, including the remedies that the applicants failed to use, and the weight of the considerations justifying the video-surveillance, as taken into account by the domestic courts, the Court concludes that the national authorities did not fail to fulfil their positive obligations under Article 8 of the Convention such as to overstep their margin of appreciation. Accordingly, there has been no violation of that provision.