IT 3460

Facebook moet gegevens advertentie-accounts afgeven

Facebook-Unsplash

Rechtbank Den Haag 17 maart 2021, IEF 19857, RB 3498, IT 3460; ECLI:NL:RBDHA:2021:2422 (PVH tegen Facebook) [Vervolg op IEF 18172RB 3273IT 2694]. PVH is een groot kleding- en modebedrijf dat verschillende merken exploiteert, waaronder Tommy Hilfiger. Op Facebook en Instagram constateerde PVH een aantal advertenties voor kleding en schoeisel met de naam "Tommy Hilfiger" die niet van haar afkomstig waren, terwijl zij met Facebook al een advertentieovereenkomst had gesloten ten behoeve van haar eigen merk. Dit leidde tot een bevel van de voorzieningenrechter jegens Facebook om de nodige maatregelen te nemen tegen de inbreukmakende advertenties. Facebook is hiertegen in beroep gegaan en heeft o.a. geweigerd om de gegevens van de advertentie-accounts aan PVH te geven. De rechtbank oordeelt dat Facebook deze gegevens alsnog moet afgeven en benadrukt daarbij dat zij het plaatsen van de inbreukmakende advertenties gestaakt dient te houden. Daarnaast stelt zij ook dat Facebook niet aansprakelijk is voor inbreuken gemaakt door klanten, maar dat zij zich wel succesvol mag beroepen op de hosting vrijstelling. Tot slot wordt Facebook ook een beperkte filterverplichting met betrekking tot de advertenties opgelegd.

4.33. Facebook heeft voorts bezwaar gemaakt tegen vordering VIII welke ziet op identificerende gegevens van na dit vonnis (toekomstig) door PVH te melden accounts. Naar het oordeel van de rechtbank is dat bezwaar deels gegrond. Anders dan PVH kennelijk betoogt, heeft Facebook het recht om in beginsel voor elke nieuwe inbreukmakende advertentie of promotie-account, waarvan de gebruiker niet al op grond van het gebod in V onder b is geblokkeerd, de vraag aan de rechter te doen voorleggen of afgifte van de identificerende gegevens gerechtvaardigd is. Verder kan de beoordeling daarvan niet slechts aan PVH worden overgelaten zoals de vordering kennelijk beoogt. Daartegenover staat dat weinig wenselijk is dat PVH voor elke afgifte naar de rechter zou moeten stappen. Dit lijkt ook niet goed te verenigen met de Lycos/Pessers-leer waaruit volgt dat sprake is van onrechtmatig handelen indien de gegevens niet worden afgegeven. De rechtbank zal daarom alles afwegende en met inachtneming van artikel 21 AVG de volgende middenweg kiezen: Facebook zal ook voor toekomstige meldingen worden bevolen om de gegevens af te staan, tenzij zij binnen twee weken na de melding aangeeft dat zij naar de mening van Facebook niet gehouden is tot afgifte of omdat de betrokkene daartegen bezwaar maakt.

4.53. Uit het voorgaande volgt dat Facebook zal worden bevolen om identificerende gegevens van reeds als inbreukmakend aangemerkte accounts af te geven. Tevens zal een (beperkte) filterverplichting worden opgelegd. De vorderingen zullen jegens Facebook Inc en Facebook Ireland namens alle eiseressen worden toegewezen. Ten aanzien van de eisende PVH vennootschappen kan worden opgemerkt dat het weinig zinnig lijkt om dit per recht en rechthebbende te gaan uitsplitsen, zoals Facebook kennelijk wil. Bovendien hebben de diverse eisende rechtspersonen onderling licenties op de betreffende rechten en zo een belang bij de identificerende gegevens en filterplicht. Voor wat betreft de gedaagde Facebook vennootschappen geldt dat in elk geval voldoende vast staat dat Facebook Inc en Facebook Ireland bij de advertenties en promotie-accounts betrokken zijn en in staat om de op te leggen maatregelen uit te (doen) voeren. Ten aanzien van Facebook NL heeft PVH onvoldoende gesteld zodat de geboden jegens die vennootschap worden afgewezen.