24 aug 2026,
Facebookpublicaties over cliëntelisme, drugsgebruik, spionage en corruptie zijn onrechtmatig
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 24 augustus 2026, IT 5485; ECLI:NL:OGEAC:2026:159 ([eiser] tegen [gedaagde]). Het Gerecht oordeelt dat [gedaagde], journalist, commentator en blogger, onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] door op Facebook 58 berichten over hem te publiceren. [eiser], werkzaam bij de Belastingdienst, werd daarin onder meer in verband gebracht met cliëntelisme, cocaïnegebruik, spionage voor Nederland, corruptie, het bevoordelen van Nederlanders, het lekken van vertrouwelijke informatie en het profiteren van beslagen en openbare verkopen. Het gerecht weegt het belang van [eiser] bij bescherming van zijn eer en goede naam af tegen de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid van [gedaagde] op grond van artikel 10 EVRM. Daarbij kijkt het onder meer naar de ernst van de beschuldigingen, het maatschappelijk belang van de gestelde misstanden, de feitelijke basis voor de uitlatingen, de wijze waarop deze zijn gebracht, het bereik van het medium en de positie van [eiser]. De publicaties schetsen in onderlinge samenhang een ernstig en consistent negatief beeld van [eiser], terwijl niet is gebleken dat de beschuldigingen steun vinden in objectief verifieerbare bronnen en geen wederhoor is toegepast. Het beroep op satire of humor wordt verworpen, omdat de uitlatingen als feitelijke beschuldigingen zijn gepresenteerd. Ook de stelling dat [eiser] als publiek persoon meer kritiek moet dulden slaagt niet. De uitlatingen vormen daarom een ongerechtvaardigde aantasting van zijn eer en goede naam en zijn onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW.
[gedaagde] moet binnen een week na betekening van het vonnis een door het gerecht vastgestelde rectificatietekst in het Papiamentu en Engels op zijn Facebookpagina plaatsen en deze gedurende dertig dagen als eerste bericht vastzetten. Als hij geen Facebookpagina meer heeft, moet hij de rectificatie laten plaatsen in de kranten Extra en Antilliaans Dagblad. Aan deze verplichting is een dwangsom verbonden van Cg 150 per dag, met een maximum van Cg 15.000. Daarnaast moet [gedaagde] alle nog aanwezige uitlatingen over [eiser] van zijn Facebookaccount verwijderen. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen wegens gebrek aan belang, de gevorderde immateriële schadevergoeding van Cg 5.000 wordt afgewezen omdat de rectificatie volgens het gerecht voldoende genoegdoening biedt en ook de buitengerechtelijke kosten worden afgewezen omdat deze niet zijn gespecificeerd. [gedaagde] wordt veroordeeld in Cg 3.296,18 aan proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
4.7.
De uitlatingen, in onderling verband en in samenhang bezien, schetsen een consistent en ernstig negatief beeld van [eiser]. Van [gedaagde] had daarom een hoge mate van zorgvuldigheid mogen worden verwacht. Niet is echter gebleken dat de uitlatingen steun vinden in objectieve verifieerbare bronnen en vaststaat dat geen wederhoor is toegepast, terwijl [eiser] de beschuldigingen gemotiveerd en onderbouwd heeft weersproken. Het beroep van [gedaagde] op satire of humoristisch bedoelde overdrijving wordt in dit verband verworpen. De uitlatingen zijn gepresenteerd als feitelijke beschuldigingen en niet als satire of humor. Ook het verweer van [gedaagde] dat slechts kritische vragen zijn gesteld wordt niet gevolgd. De stelling dat [eiser] als publiek persoon meer kritiek dient te dulden slaagt evenmin. De functie van [eiser] brengt op zichzelf niet mee dat hij een zodanige publieke bekendheid geniet, of zich vrijwillig aan het publieke debat heeft blootgesteld, dat een verdergaande inbreuk op zijn eer en goede naam gerechtvaardigd is. Bovendien hebben ook publieke personen recht op bescherming tegen ongefundeerde en ernstig reputatieschadende beschuldigingen. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat de uitlatingen zijn gedaan via Facebook, een medium met een groot bereik en in de Curaçaose samenleving een belangrijk en veelgebruikt communicatiemiddel, hetgeen meebrengt dat aan de publicaties een aanzienlijke potentiële verspreiding en reputatieschade is verbonden.
4.8.
De vordering tot rectificatie zal daarom worden toegewezen. Het gerecht zal [gedaagde] veroordelen om de rectificatie op zijn Facebookpagina te plaatsen. Voor zover [gedaagde] geen Facebookpagina (meer) heeft, wordt hij veroordeeld om de rectificatie te plaatsen in de kranten Extra en het Antilliaans Dagblad. Bij een verdergaande rectificatieverplichting bestaat onvoldoende belang. De termijn waarbinnen moet worden gerectificeerd wordt bepaald op een week na de betekening van dit vonnis. De gevorderde dwangsom wordt eveneens toegewezen, als prikkel tot nakoming, met dien verstande dat deze wordt gematigd en aan een maximum wordt gebonden.
4.9.
Nu alle publicaties over [eiser] in essentie dezelfde strekking hebben en hetzelfde verwijtende en reputatieschadende beeld van [eiser] oproepen, dienen deze – voor zover dit nog niet is gebeurd – alle te worden verwijderd.