Gepubliceerd op dinsdag 27 oktober 2026
IT 5617
Rechtbank Den Haag ||
22 jul 2026,
Rechtbank Den Haag 22 jul 2026,, IT 5617; ECLI:NL:RBDHA:2026:28199 (HTM tegen Siemens), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-automatische-doorwerking-van-rekenmarges-in-operationele-boeteclausules

Uitspraak ingezonden door Mark Jansen, Dirkzwager.

Geen automatische doorwerking van rekenmarges in operationele boeteclausules

Rb. Den Haag 22 juli 2026, IT 5617; ECLI:NL:RBDHA:2026:28199 (HTM tegen Siemens). In deze zaak tussen HTM en Siemens staat een geschil centraal over de uitleg van storingsdefinities en de nakoming van contractuele verplichtingen bij de levering en het onderhoud van 70 tramvoertuigen. HTM stelt dat Siemens contractuele boetes verschuldigd is wegens storingen en schade moet vergoeden vanwege vertraging bij het herstel van corrosie aan de trams. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de contractueel vastgelegde A-, B- en C-storingen. De rechtbank past de Haviltex-maatstaf toe en oordeelt dat aansluiting moet worden gezocht bij de storingsdefinities van de Vereniging van Duitse Transportondernemingen (VDV). Daarbij is bepalend of een storing tijdens een rit of dienst optreedt en welke gevolgen deze heeft voor de inzetbaarheid van het tramvoertuig. Storingen die buiten een rit of dienst optreden, vallen niet onder de betreffende boeteregeling. De rechtbank verwerpt daarnaast het standpunt van Siemens dat een onzekerheidsmarge van 5% geldt voordat storingsboetes verschuldigd zijn. Deze marge is uitsluitend van toepassing op een andere contractuele boetecategorie.

Verder oordeelt de rechtbank dat Siemens de overeengekomen uiterste hersteltermijn van 30 juni 2024 heeft overschreden. Omdat sprake is van een fatale termijn, is Siemens vanaf 1 juli 2024 zonder ingebrekestelling in verzuim. HTM heeft echter onvoldoende onderbouwd dat zij door het gemiste gebruik van werksporen en tramvoertuigen of door personeelskosten vermogensschade heeft geleden. De mogelijkheid van toekomstige concessieschade acht de rechtbank wel voldoende aannemelijk. Voor de vaststelling daarvan volgt een schadestaatprocedure, waarbij de contractuele aansprakelijkheidsbeperking tot directe schade van toepassing is. De rechtbank veroordeelt Siemens tot betaling van in totaal € 507.237,50 aan contractuele boetes over de jaren 2021 tot en met 2024, vermeerderd met wettelijke rente. De afzonderlijk gevorderde boete van € 110.000 wegens het niet tijdig verstrekken van een plan van aanpak voor de laatste tien trams wordt afgewezen.

5.23. Allereerst verwerpt de rechtbank het verweer dat tussen partijen niet vaststaat welke storingen zich hebben voorgedaan. Tussen partijen hebben namelijk maandelijks overleggen plaatsgevonden, waarin de opgetreden storingen werden besproken. Hoewel tussen partijen discussie bestond over de storingsdefinities (en dus ook over de classificatie van de storingen), kan uit de maandelijks vastgestelde storingsoverzichten wel worden geconcludeerd welke storingen zich hebben voorgedaan en kan dit tot uitgangspunt dienen bij de classificatie van de storingen.

5.24. Gelet op de door de rechtbank gegeven uitleg van de storingsdefinities, kunnen de primair door HTM gevorderde boetebedragen (die op een andere uitleg zijn gebaseerd) niet worden toegewezen.

5.25. HTM heeft echter een overzicht overgelegd (productie 18) waarin zij de storingen in de periode 2021 tot en met 2023 ook heeft geclassificeerd overeenkomstig de VDV-definities. Hoewel Siemens daarop uitvoerig heeft gereageerd in haar productie 8, is die reactie gebaseerd op haar eigen uitleg van de storingsdefinities. Omdat de rechtbank Siemens niet volgt in die uitleg kan zij aan productie 8 geen conclusies verbinden. Weliswaar staat daarin ook een kolom ‘Siemens VDV’, maar Siemens heeft niet uitgelegd wat dit betekent voor het overzicht van HTM in productie 18. De rechtbank zal het overzicht in productie 18 van HTM daarom tot uitgangspunt nemen.