IT 2848

Geen media bij schouw in zaak Verstappen in verband met risico schade aan goede rechtspleging

Vzr. Rechtbank Den Haag 26 augustus 2019, IT 2848; ECLI:NL:RBDHA:2019:8808 (Nederlandse Vereniging van Journalisten tegen Staat der Nederlanden) Privacyrecht. Bij de rechtbank Limburg vindt het strafproces plaats tegen de verdachte in de “Nicky Verstappen”-zaak. In deze zaak heeft de meervoudige strafkamer besloten media te weren bij een schouw van verschillende plaatsen. Namens de media is hierna een gemotiveerd verzoek gedaan toch toegang tot deze schouw te verlenen. Hierbij zijn art. 6 en 10 EVRM van belang: openbare rechtspleging en vrijheid van meningsuiting. Deze rechten zijn fundamenteel, hier kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden van worden afgeweken. In dit geval is dat de bij wet geregelde uitzondering dat openbaarheid een goede rechtspleging (ernstig) zou schaden. De rechter wijst derhalve het gevorderde af.

5.2. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

5.3. Op grond van artikel 10 EVRM heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

5.4. Het gaat hier om fundamentele rechten. Alleen onder bijzondere omstandigheden en vanwege bepaalde belangen kan een uitzondering op (het respecteren van) deze rechten worden gemaakt. Op het ook in de Grondwet verankerde beginsel van openbaarheid van terechtzittingen (artikel 121) kunnen uitzonderingen worden gemaakt die zijn voorzien in de wet en wel – voor wat het strafproces betreft – artikel 269, eerste lid, Sv. Ook daarin is als uitgangspunt vastgelegd dat het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar geschiedt. Vanaf het uitroepen van de zaak kan de rechtbank echter gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, alsmede indien de belangen van minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Een dergelijk bevel kan ook worden gegeven, indien de openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden. Op grond van het vierde lid van laatstgenoemd artikel kan de voorzitter bijzondere toegang verlenen tot bijwoning van de niet openbare terechtzitting.

5.7. Geconcludeerd moet worden dat de rechtbank Limburg c.q. de voorzitter gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid die artikel 269 Sv biedt, een mogelijkheid om een uitzondering op het beginsel van openbaarheid te maken die ook is voorzien in artikel 6 EVRM, en dat daartoe een grond is gehanteerd die in de wet is voorzien, te weten het (ernstig) schaden van het belang van een goede rechtspleging. De beslissing is ook, ter zitting van 5 juni 2019 en in de correspondentie met [werknemer eiseres sub 3] , gemotiveerd. Zou er al enige ruimte zijn voor de kort gedingrechter om in te grijpen, met een argumentatie die is gebaseerd op onrechtmatige rechtspraak, dan kan dat hoogstens in bijzondere situaties en dan alleen in gevallen waarin sprake is van aperte rechterlijke misslagen. Dat kan in ieder geval niet waar het (slechts) gaat om mogelijke verschillen in appreciatie: de ene rechter kan op basis van de relevante feiten en omstandigheden tot een ander oordeel komen dan de andere rechter zonder dat gezegd kan worden dat één van beide rechters een duidelijk ‘fout’ oordeel velt. Dat geldt ook als het oordeel gaat over het al dan niet maken van een uitzondering op een fundamenteel procesbeginsel zoals dat hier aan de orde is.