IT 3461

Geen onrechtmatige uitlatingen wegens ontbreken van regisserende rol

Rechtbank Overijssel 24 februari 2021, IEF 19859, IT 3461, ECLI:NL:RBOVE:2021:1254 (Eisers tegen gedaagden) Een van de eisers heeft in 2014 opgetreden als mediator in een arbeidsgeschil tussen een van de gedaagden en haar toenmalig werkgever. Nadien bleek een gesprek tussen eiser en de werkgever te zijn opgenomen waaruit bleek dat de mediator allerlei denigrerende en onoorbare uitlatingen over gedaagde heeft gedaan in de richting van de werkgever. Daarop zijn door gedaagde diverse tuchtklachten tegen de mediator ingediend en heeft de mediator strafrechtelijk aangifte gedaan tegen gedaagde wegens verspreiding van de opname waarvoor gedaagde ook is vervolgd en is vrijgesproken. Eisers stellen dat sprake is van onrechtmatig handelen door gedaagden omdat zij jarenlang publiekelijk een hetze tegen hen voeren en wegens schending van de geheimhoudingsplicht uit de mediationovereenkomst door gedaagde. De rechtbank concludeert dat gedurende langere tijd sprake is geweest van een publiek debat en de uitlatingen van gedaagden zien op het zakelijk handelen van eiser als mediator. Niet genoegzaam is gebleken dat juist gedaagden bij de publieke berichtgeving een regisserende/aansturende rol zouden hebben vervuld. De vorderingen worden dan ook afgewezen.

Bij de aan te leggen beoordelingsmaatstaven overweegt de rechtbank dat iedere gewraakte uitlating afzonderlijk dient te worden beoordeeld, waarbij de context een belangrijke rol speelt alsmede het bericht waarop wordt gereageerd. Bij de afweging van de i.c. betrokken belangen o.g.v. art. 10 EVRM is enerzijds relevant dat de uitlatingen/tweets van gedaagden de relevante context zijn te plaatsen, dat zij voornamelijk reageren op berichten van derden, de naam van eiser vaak niet noemen en veelal sprake is van 'kale' retweets. De uitlatingen van gedaagden zijn bondig en weinig prikkelend waarbij ook wordt verwezen naar eerder door hen ingenomen standpunten. Dat eiser daar een ander hem steeds persoonlijk treffend gevoel bij heeft gehad, maakt dit niet anders. Anderzijds wordt meegewogen dat eiser zich heeft bediend van social media via Twitter, Facebook en een eigen website waarbij de naam van gedaagde veelvuldig wordt genoemd en verwezen wordt naar haar Twitter-account. Daarnaast heeft eiser zelf een artikel gepubliceerd in een vaktijdschrift en wordt door eisers herhaaldelijk gereageerd op berichten van derden die zich kritisch over de mediator uitlaten.

23. Bij een beoordeling of uitlatingen als onrechtmatig moeten worden bestempeld heeft de rechter elke gewraakte uitlating afzonderlijk te beoordelen, waarbij de context van elke specifieke uiting een belangrijke rol speelt evenals het bericht waarop wordt gereageerd en wat er op dat moment aan de orde was. Binnen een actueel maatschappelijk debat komen uitlatingen via social media een bijzondere betekenis toe, waarbij mening en opinies moeten kunnen worden gedeeld. Daarbij moet een grote mate van vrijheid worden aangenomen (ECLI:NL:RBAMS:2014: 8364, r.o. 4.5.). Dit ook omdat specifiek van Twitter mag worden aangenomen dat het een “vluchtig medium” is waarbij in hoofdzaak op het moment van plaatsen sprake is van de kennisname van uitlatingen.

25. De rechtbank heeft voorts bij haar beoordeling belangen af te wegen, waaronder het belang van [eiser 1] c.s. op bescherming van eer en goede naam tegenover het belang van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anderzijds op bescherming van de vrijheid van meningsuiting. In dit kader is terecht door [gedaagde 1] aangevoerd dat het in beginsel de zakelijke reputatie van [eiser 1] c.s. en Trickster betreft (en daarom niet het recht op privacy zoals dat is vastgelegd in artikel 8 EVRM). Kritiek op zakelijk handelen is eerder toelaatbaar en daarbij is een beperking van de uitingsvrijheid minder snel gerechtvaardigd (EHRM 19 juli 2011, nr.23954/10 (Uj/Hongarije), r.o. 22; EHRM 2 september 2004, nr 32783/08 (Firma EDV für Sie/Duitsland).