IT 3961

Geen provisie na beëindiging agentuurovereenkomst

Vzr. Rb. Amsterdam 20 mei 2022, IT 3961; ECLI:NL:RBAMS:2022:2703 (Eiser tegen Edsson Software) Tussen eiser en Edsson Software is er een agentuurovereenkomst gesloten, waarbij eiser tot medio 2014 sales director en aandeelhouder was bij Edsson Software. Binnen deze overeenkomst was er een provisie afgesproken voor eiser op basis van een bepaald percentage van de aan klanten gefactureerde omzet. Na het opzeggen van de overeenkomst door Edsson Software, staat de vraag centraal of eiser ook na het opzeggen van deze overeenkomst recht houdt op de provisie. De kortgedingrechter weigert de gevraagde voorziening van eiser. Noch uit de wet, noch uit de overeenkomst blijkt enige grond waaruit de vorderingen van eiser zouden moeten worden toegewezen.

4.1. De vordering van [eiser] strekt tot nakoming van gemaakte afspraken. Een vordering tot nakoming kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van eiser zal volgen, bijvoorbeeld als gedaagde een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht.

4.2. [eiser] heeft een beroep gedaan op artikel 7 lid 1 van de agentuurovereenkomst (zie 2.3). In dit artikel valt niet te lezen en het kan redelijkerwijs ook niet zo worden opgevat dat partijen hebben afgesproken dat [eiser] recht houdt op provisie nadat de agentuurovereenkomst is geëindigd. [eiser] heeft in de dagvaarding onvoldoende gemotiveerd waar de verplichting van Edsson Software tot doorbetaling van de provisie na het einde van de overeenkomst verder uit zou kunnen volgen. De agentuurovereenkomst biedt daarom geen basis voor de vordering van [eiser] .

4.3. Artikel 7:431 lid 1 BW biedt evenmin een basis voor de vordering van [eiser] . Op grond van dat artikellid heeft de handelsagent gedurende de looptijd van de overeenkomst - en dus niet daarna - recht op provisie in de daarin genoemde drie gevallen (zie A.G. Castermans en H.B. Krans, Tekst & Commentaar BW, art. 7:431 BW, aant. 2). Op grond van lid 2 van artikel 7:431 BW heeft een handelsagent in bepaalde gevallen recht op provisie voor de voorbereiding van na het einde van de agentuurovereenkomst tot stand gekomen overeenkomsten. Dat die situatie zich hier voordoet is gesteld noch gebleken.