Gepubliceerd op dinsdag 1 september 2026
IT 5487
Overige instanties ||
10 feb 2026,
Overige instanties 10 feb 2026,, IT 5487; ECLI:NL:CBB:2026:46 (Jonaz B.V. tegen ACM, VodafoneZiggo en KPN), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-risico-op-aanmerkelijke-marktmacht-op-glasvezelmarkt-kpn-en-glaspoort

Geen risico op aanmerkelijke marktmacht op glasvezelmarkt KPN en Glaspoort

CBb 10 februari 2026, IT 5487; ECLI:NL:CBB:2026:46 (Jonaz B.V. tegen ACM, VodafoneZiggo en KPN). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de ACM in haar marktanalyse lokale toegang terecht heeft geconcludeerd dat op markt I, het glasvezelnetwerk van KPN en Glaspoort, geen risico bestaat op aanmerkelijke marktmacht (AMM). Jonaz stelde onder meer dat de ACM het eerdere Toezeggingenbesluit ten onrechte in de plaats had gesteld van een zelfstandige marktanalyse. Het College volgt dit niet. De ACM moest bij haar toekomstgerichte analyse rekening houden met het op het algemene mededingingsrecht gebaseerde Toezeggingenbesluit en mocht de nog actuele informatie en onderzoeksbevindingen die daaraan ten grondslag lagen gebruiken. Het Toezeggingenbesluit fungeerde daarbij niet als rechtvaardiging voor het marktanalysebesluit, maar als relevante feitelijke informatie. Ook heeft de ACM volgens het College voldoende inhoudelijk gereageerd op de zienswijze van Jonaz, zodat geen sprake is van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek.

Ook de afbakening van markt I kan in stand blijven. Volgens Jonaz hadden de Point-to-Point-gebieden met ODF-toegang en de Point-to-Multipoint-gebieden met VULA-PON-toegang als afzonderlijke markten moeten worden beschouwd, onder meer vanwege verschillen in tarieven, technische mogelijkheden en haar eigen businesscase. Het College oordeelt echter dat verschillen op wholesaleniveau pas relevant zijn als zij leiden tot relevante verschillen in de concurrentievoorwaarden op de retailmarkt. Jonaz heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Dat zij via VULA-PON haar DVB-C-televisiedienst niet op dezelfde wijze kan aanbieden en haar bedrijfsmodel moet aanpassen, leidt evenmin tot een andere conclusie. De ACM mocht ervan uitgaan dat de combinatie van lokale toegang op basis van de toezeggingen en beschikbare centrale toegang voldoende mogelijkheden biedt voor duurzame en daadwerkelijke concurrentie. Zij heeft bovendien onderkend dat ODF en VULA-PON technisch verschillen, maar terecht vastgesteld dat toegangsvragers via VULA-PON vanuit het perspectief van de eindafnemer vergelijkbare diensten kunnen aanbieden en binnen de beschikbare bandbreedte op snelheid, kwaliteit en functionaliteit kunnen concurreren. Het College verklaart het beroep van Jonaz daarom ongegrond; de ACM hoeft geen proceskosten te vergoeden.

2.1

Op grond van hoofdstuk 6a van de Tw moet de ACM periodiek de concurrentiesituatie op relevante elektronische communicatiemarkten onderzoeken. Met de bepalingen in hoofdstuk 6a van de Tw is uitvoering gegeven aan het juridisch kader zoals dit volgt uit Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (Richtlijn 2018/1972). Op grond van artikel 6a.1, eerste lid, van de Tw moet de ACM de relevante markten in de elektronische communicatiesector bepalen. Startpunt daarvoor is Aanbeveling (EU) 2020/2245 van de Commissie van 18 december 2020 betreffende relevante producten- en dienstenmarkten in de elektronische-communicatiesector die aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen1 (Aanbeveling 2020/2245). Daarin zijn door de Europese Commissie wholesalemarkten aangewezen die op voorhand in aanmerking komen voor ex ante regulering. De markt voor lokale toegang op wholesaleniveau, op een vaste locatie (ook wel: Wholesale Local Access-markt, WLA-markt) is opgenomen in Bijlage 1 van Aanbeveling 2020/2245. Als een markt is opgenomen in de Aanbeveling, dan hoeft de ACM overeenkomstig artikel 6a.1, zesde lid, van de Tw niet vast te stellen of die markt aan de zogenoemde driecriteriatoets voldoet, tenzij door specifieke nationale omstandigheden aan één of meer criteria niet kan worden voldaan, overeenkomstig artikel 67, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2018/1972. Uit artikel 6a.1, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Tw volgt dat de driecriteriatoets dient om vast te stellen of de betreffende markt een van de volgende kenmerken vertoont: 1) de aanwezigheid van hoge en niet-tijdelijke toegangsbelemmeringen, 2) vanwege de marktstructuur is daadwerkelijke mededinging niet binnen de relevante periode te verwachten, en 3) het mededingingsrecht alleen is niet voldoende om vastgesteld marktfalen aan te pakken.

2.2

Bij het uitvoeren van de marktanalyse volgt de ACM de Richtsnoeren voor de marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht in het bestek van het EU-regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten (AMM-richtsnoeren). Uit 15, 16 en 18 van de AMM-richtsnoeren volgt dat het onderzoek naar de relevante markt wordt gestart op de retailmarkt. In het onderzoeken van de retailmarkten staat – zie de Richtlijn 2018/1972 onder 29 en 168 – de vraag centraal of de retailmarkt op duurzame basis daadwerkelijk concurrerend is. Als de onderliggende retailmarkt(en) in de toekomst concurrerend zal (zullen) zijn, moet de ACM daaruit concluderen dat regelgeving op wholesaleniveau niet noodzakelijk is.

2.3

Het volledige wettelijke kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.