IT 2722

Geen spoedeisend belang, nieuw verzoek omtrent verwijderen BKR-registratie is mogelijk

Vzr Rechtbank Den Haag 28 februari 2019, IT 2722, ECLI:NL:RBDHA:2019:1988 (BKR-registratie). Procedure ex artikel 35 Uitvoeringswet AVG in verhouding tot de artikelen 79 en 21 AVG, alsmede in relatie met artikel 6:162 BW. Eiser heeft met ABN Amro (een van de gedaagden) een kredietovereenkomst gesloten. Eiser voldeed vanaf januari 2014 niet meer aan zijn betalingsverplichtingen. ABN Amro heeft hier toen melding van gemaakt bij o.a. het BKR. Ook vanuit de Rabobank (een van de gedaagden) en Hoist Finance (eveneens gedaagde) zijn meldingen gedaan bij het BKR over kredieten verstrekt aan eiser. Eiser heeft inmiddels al deze kredieten afgelost, en gedaagden verzocht de registraties te verwijderen. Gedaagden hebben hieraan geen gehoor gegeven. Gedaagden stellen dat dit in strijd is met primair de AVG en subsidiair art. 6:162 BW. Met betrekking tot de strijdigheid met de AVG: er is geen sprake gebleken van een spoedeisend belang. De aangevoerde omstandigheden zijn bij gedaagden verder ook onbekend. Eiser kan dus een nieuw verzoek indienen. Dit verzoek kan binnen redelijke tijd tot een nieuw besluit leiden. Met betrekking tot de vordering op grond van art. 6:162 BW: de wetgever heeft voor dit soort aangelegenheden een speciale regeling in het leven geroepen in de AVG. De vorderingen van eiser worden dus afgewezen.

4.5. Nog los van de vraag of een kort gedingprocedure zich leent voor een (principieel) debat zoals door [eiser] beoogd, moet de conclusie in het onderhavige geschil hoe dan ook luiden dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Daarvoor is het volgende van belang.

4.6. [eiser] voert aan dat hij (spoedeisend) belang heeft bij zijn vordering omdat hij thans bij zijn ouders inwoont, wat binnenkort niet langer kan, aangezien zijn ouders hun woning verkopen en kleiner gaan wonen. Daar komt bij dat zijn huidige vriendin, die ook bij haar ouders woont, zwanger is en hij met haar wil gaan samenwonen. In verband daarmee willen zij een woning kopen of huren (in de vrije sector). De BKR-meldingen op naam van [eiser] maken dat onmogelijk.

4.7. Op de zitting hebben alle gedaagden verklaard dat die omstandigheden niet zijn aangevoerd door [eiser] in zijn eerdere verzoeken tot verwijdering van de BKR-registraties. Daarbij hebben zij uitdrukkelijk toegezegd dat door hen - indien [eiser] andermaal een verzoek tot verwijdering van de registraties indient, waarbij hij zich (mede) op die nieuwe omstandigheden beroept - een nieuwe, inhoudelijke, beslissing zal worden genomen op die (herhaalde) verzoeken, waartegen [eiser] vervolgens kan opkomen op de in artikel 35 UAVG voorgeschreven wijze. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat gedaagden die toezegging niet zullen nakomen. In die omstandigheden moet de in artikel 35 UAVG voorgeschreven rechtsgang voor [eiser] als doeltreffend in de zin van artikel 79 lid 1 AVG worden aangemerkt. Te meer nu uit het verloop van de onderhavige procedure blijkt dat het hier aan de orde zijnde geschil al volledig is voorbereid, ook door [eiser]. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat [eiser] - in het voorkomende geval - in staat is binnen zes weken na een eventuele afwijzing van één of meer van zijn nieuwe verzoeken een verzoekschrift ex 35 UAVG in te dienen. Daarmee moet worden aangenomen dat in de gegeven omstandigheden, waarbij [eiser] de registraties zo snel mogelijk verwijderd wil hebben, ook geen sprake zal zijn van schending van artikel 21 lid 1 AVG.

4.9 Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat de voorgeschreven verzoekschriftprocedure hoe dan ook niet kan worden gevolgd doordat hij zich subsidiair beroept op onrechtmatig handelen van gedaagden ex artikel 6:162 BW, waarvoor een verzoekschriftprocedure zich in ieder geval niet leent, moet daaraan worden voorbijgegaan. Door middel van de onderhavige procedure wenst [eiser] - zowel op de primaire als de subsidiaire grondslag - te bewerkstelligen dat de op zijn naam voorkomende (negatieve) BKR-registraties worden verwijderd. Daarvoor heeft de wetgever een speciale procedure in het leven geroepen, te weten procedure ex artikel 35 UAVG. Die rechtsgang kan niet worden omzeild door zich (enkel) te beroepen op de algemene regeling betreffende onrechtmatig handelen. Te minder nu voor het oordeel of al dan niet onrechtmatig is gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW de AVG leidend is.