IT 3472

Geen toestemming voor plaatsen beeldmateriaal minderjarige

Vzr. Rechtbank Overijssel 7 april 2021, IT 3472, ECLI:NL:RBOVE:2021:1506 (Eiseres tegen gedaagde) Eiseres heeft een relatie gehad met X. Deze hebben destijds samen een kind gekregen. Later zijn de twee uit elkaar gegaan en heeft X een relatie gekregen met gedaagde. Het kind uit de eerdere relatie van X verbleef grotendeels bij hem. Vervolgens is de relatie tussen X en gedaagde ook ten einde gekomen. Gedaagde heeft hierna beeldmateriaal van het kind op social media geplaatst, zonder enige vorm van toestemming van eiseres of X. Dit is volgens eiseres in strijd met de AVG. De voorzieningenrechter gaat mee in dit standpunt, gezien het feit dat het kind minderjarig is en eiseres als wettelijk vertegenwoordiger geen toestemming heeft gegegeven voor het plaatsen van het beeldmateriaal. Deze beveelt gedaagde daarmee tot verwijdering van de beelden.

4.4. De Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) beschermt de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van de persoonsgegevens. Vast staat dat het in deze zaak gaat over de verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in de AVG. Nu als onweersproken is komen vast te staan dat de Facebookpagina van [gedaagde] openbaar is, is niet uit te sluiten dat het door haar geplaatste beeldmateriaal verspreid kan worden en in handen van derden terecht kan komen. Gelet hierop is niet gebleken dat van een uitoefening van een zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteit (zoals in bedoeld in artikel 2, lid 2, sub c, van de AVG) van [gedaagde] sprake is. Dit betekent dat de bepalingen van de AVG en de Uitvoeringswet AVG op het onderhavige geschil van toepassing zijn.

4.5. In de Uitvoeringswet AVG, meer specifiek artikel 5 lid 1, (gelezen in combinatie met artikel 4, sub 1 en 2 van de AVG waar staat wat onder “persoonsgegevens” en “verwerken” valt) is bepaald dat voor het plaatsen van foto’s van minderjarigen, die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger is vereist. Vast staat dat [minderjarige] minderjarig is en dat [eiseres] als wettelijk vertegenwoordiger geen toestemming heeft gegeven aan [gedaagde] om beeldmateriaal van [minderjarige] op social media te plaatsen. Ook [X] heeft blijkens de ondertekende brief van 4 februari 2021 geen toestemming (meer) verleend voor het plaatsen van beeldmateriaal van [minderjarige] . De stelling van [gedaagde] dat [X] zich tegenover haar anders uit laat, maakt in deze procedure, gelet op de inhoud van de brief van 4 februari 2021, geen verschil. Kennelijk is dit het huidige standpunt van [X] . Nu de wettelijk vertegenwoordigers geen toestemming geven voor het plaatsen van beeldmateriaal van [minderjarige] , zal de voorzieningenrechter [gedaagde] veroordelen om het beeldmateriaal van [minderjarige] op social media te (laten) verwijderen en verwijderd te houden. Het gestelde belang van [gedaagde] om beeldmateriaal van [minderjarige] op social media te mogen plaatsen, omdat zij aan hem is gehecht en omdat hij een halfzusje heeft, kan in dit kader niet tot een ander oordeel leiden. [gedaagde] mag wel beschikken over het beeldmateriaal van [minderjarige] , zij mag het alleen niet (meer) op internet plaatsen. Ten aanzien van de gezamenlijke foto’s van [minderjarige] met (bijvoorbeeld) zijn halfzusje, welke foto’s [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, merkt de voorzieningenrechter op dat [minderjarige] in ieder geval geenszins herkenbaar in beeld mag zijn. Voor het overige dient al het beeldmateriaal van [minderjarige] verwijderd te worden.