Gepubliceerd op dinsdag 3 november 2026
IT 5595
Rechtbank Oost-Brabant ||
28 jan 2026,
Rechtbank Oost-Brabant 28 jan 2026,, IT 5595; ECLI:NL:RBOBR:2026:467 ([eiser] tegen DAF), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-vergoeding-voor-omzetverlies-na-ongeldige-opzegging-importeursovereenkomst-wegens-ontbreken-causaal-verband

Geen vergoeding voor omzetverlies na ongeldige opzegging importeursovereenkomst wegens ontbreken causaal verband

Rb. Oost-Brabant 28 januari 2026, IT 5595; ECLI:NL:RBOBR:2026:467 ([eiser] tegen DAF). Een Turkse importeur van DAF-trucks vordert in een schadestaatprocedure ruim € 122 miljoen schadevergoeding van DAF Trucks wegens de gevolgen van een ongeldige opzegging van hun importeursovereenkomst. DAF had de overeenkomst in november 2013 opgezegd tegen 30 november 2014, met een beroep op een verkorte opzegtermijn van één jaar vanwege een voorgenomen reorganisatie van haar distributienetwerk in Turkije. Deze opzegging was niet rechtsgeldig. Een tweede opzegging, tegen 9 januari 2016 met inachtneming van de reguliere opzegtermijn van twee jaar, was dat wel. In de eerdere procedure is vastgesteld dat DAF toerekenbaar is tekortgeschoten door zich vanaf augustus 2014 te gedragen alsof de eerste opzegging rechtsgeldig was. De importeur stelt hierdoor schade te hebben geleden door teruglopende truckverkopen, daarmee samenhangende omzetverliezen en het mislopen van een importeurschap voor Volvo. De rechtbank oordeelt echter dat het vereiste causaal verband tussen de tekortkoming van DAF en de gestelde schade ontbreekt. Hoewel aannemelijk is dat de onrust op de Turkse markt heeft geleid tot lagere verkopen, moet de oorzaak van die onrust volgens de rechtbank overwegend worden gezocht in het optreden van de importeur zelf. De importeur had zich openlijk tegen de beëindiging van de samenwerking verzet en de strijd met DAF publiekelijk gevoerd. Volgens de rechtbank zou deze situatie zich ook hebben voorgedaan wanneer DAF direct met inachtneming van de juiste opzegtermijn had opgezegd. Bij vergelijking met die hypothetische situatie kan de gestelde schade daarom niet aan de tekortkoming van DAF worden toegerekend.

Ook de overige schadeposten komen volgens de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. De importeur heeft onvoldoende onderbouwd dat DAF verplicht was een order van 500 trucks tegen de door haar gewenste voorwaarden te accepteren. Evenmin is aangetoond dat de tekortkoming van DAF de oorzaak was van het mislopen van het importeurschap voor Volvo. Daarnaast kan de importeur niet zonder meer vergoeding vorderen voor omzetverliezen die zelfstandige groepsvennootschappen hebben geleden. Hoewel niet is uitgesloten dat deze verliezen ook schade voor de importeur hebben veroorzaakt, heeft zij onvoldoende toegelicht en onderbouwd op welke wijze en tot welke bedragen dit het geval zou zijn. Wel komen de kosten van een door accountantskantoor BDO opgesteld schaderapport gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. DAF heeft erkend dat het laten opstellen van een dergelijk rapport noodzakelijk was en dat de kosten daarvan in beginsel vergoedbaar zijn, ook wanneer uiteindelijk geen schadevergoeding wordt toegekend. De rechtbank wijst van de gevorderde € 103.000 een bedrag van € 32.700 toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 september 2022. De overige vorderingen worden afgewezen en de importeur wordt veroordeeld in de proceskosten van € 17.411.

5.29.

De rechtbank is met [eiser] eens dat het zo had moeten gaan. Zoals [eiser] ook stelt, is het in het belang van beide partijen dat een beëindiging van een langdurige samenwerking zorgvuldig gebeurt, bij voorkeur op basis van een gezamenlijk op te stellen plan, dat pas naar buiten wordt gecommuniceerd wanneer stabiliteit is gegarandeerd, om schade bij beide partijen zoveel mogelijk te voorkomen. De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat de transitie op die manier zou zijn verlopen als DAF direct rechtsgeldig had opgezegd. Uit door DAF overgelegde stukken blijkt dat DAF, voordat zij in augustus 2014 min of meer eenzijdig met de voorbereiding van de transitie is begonnen, pogingen heeft gedaan om met [eiser] tot afspraken over een transitieplan te komen, maar dat [eiser] hieraan niet heeft willen meewerken, omdat zij het niet eens was met de opzegging. Het stond [eiser] vrij haar medewerking te weigeren aan een transitieplan voor de eerste (ongeldige) opzegging, maar al kort na die eerste opzegging deed DAF de tweede opzegging van 9 januari 2014, die wel rechtsgeldig was, en van [eiser] mocht worden verwacht dat zij aan die tweede opzegging wel medewerking zou verlenen, omdat [eiser] gehouden was de overeenkomst te goeder trouw ten uitvoer te leggen. De rechtbank onderkent dat DAF, ondanks dat [eiser] het daarmee niet eens was, ten onrechte vasthield aan een beëindiging per 30 november 2014, maar stelt tegelijk vast dat de weerstand van [eiser] niet zozeer betrekking had op de te korte opzegtermijn, maar zich richtte tegen de opzegging zelf. [eiser] was verbolgen over het feit dat DAF de overeenkomst wilde beëindigen, ondanks de langdurige succesvolle samenwerking, en zag het als een ernstige aantasting van haar reputatie dat zij door DAF aan de kant werd gezet. [eiser] erkende niet dat DAF daartoe het recht had. [eiser] erkende daarmee ook niet de rechtsgeldigheid van de tweede opzegging. Vaststaat dat het niet DAF is geweest die de opzegging van de overeenkomst als eerste openbaar heeft gemaakt, maar [eiser] . Door hierbij bovendien openlijk aan te kondigen dat zij zich bij die opzegging niet zou neerleggen, heeft [eiser] zichzelf met de rug tegen de muur heeft geplaatst. De gang van zaken zoals die blijkt uit niet weersproken en met stukken onderbouwde stellingen van DAF laat zien dat [eiser] de strijd is aangegaan met DAF, en DAF onder druk heeft willen zetten, onder meer door haar kritiek op DAF publiekelijk te delen. [eiser] verminderde ook haar bestellingen bij DAF drastisch en liet er onduidelijkheid over bestaan of haar dealers DAF dealers zou blijven. Daarmee heeft [eiser] een groot risico genomen, dat zich in die zin heeft verwezenlijkt dat het heeft geleid tot onrust in de markt en een daling van de verkoop van DAF trucks gedurende de laatste jaren dat zij als importeur werkzaam was, en dus tot schade, ook voor [eiser] . De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat als DAF direct rechtsgeldig had opgezegd, met inachtneming van de termijn van twee jaar, [eiser] die strijd niet openlijk was aangegaan, maar in de beslotenheid van de samenwerking met DAF was gekomen tot een gezamenlijk gedragen transitieplan, zoals [eiser] stelt.

5.30.

Aangezien de opzegging tegen 30 november 2014 niet rechtsgeldig was, stond het [eiser] vrij om zich tegenover DAF daartegen te verzetten en het kort geding te voeren om nadelige gevolgen van die ongeldige opzegging zoveel mogelijk te voorkomen. Van [eiser] kon echter in redelijkheid worden verwacht dat zij naar buiten toe loyaal zou zijn naar DAF en zou meewerken aan de tweede opzegging, die wel rechtsgeldig was. Van haar kon worden verwacht dat zij tijdig met DAF in gesprek zou gaan over de wijze waarop de transitie het beste kon plaatsvinden. Daarbij moesten partijen onder meer bespreken hoe zou worden omgegaan met de dealercontracten, want daarover was niets geregeld in de opgezegde overeenkomst. Ook hier waren partijen gehouden de overeenkomst te goeder trouw ten uitvoer te leggen, in een door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding, met inachtneming van elkaars gerechtvaardigde belangen. Zoals DAF naar voren heeft gebracht, waren er mogelijkheden om de samenwerking voort te zetten en dat wilde DAF ook graag. DAF wilde de importeursfunctie overnemen maar had belangstelling om te blijven werken met [eiser] dealerorganisatie, waarover zij tevreden was. Dat [eiser] geen DAF dealer kon blijven, zoals zij stelt, is niet onderbouwd en acht de rechtbank niet aannemelijk. Door DAF is immers onweersproken gesteld dat de bepalingen in de opgezegde overeenkomst over exclusiviteit en non-concurrentie alleen betrekking hadden op de rol van importeur, en niet zagen op de dealers. De rechtbank ziet geen reden waarom [eiser] niet DAF dealer had kunnen blijven en tegelijk importeur had kunnen worden van een ander merk trucks. [eiser] stelt dat het feitelijk in de Turkse markt niet zou voorkomen dat dealers voor meerdere merken werken, maar dit is door DAF betwist en staat dus niet vast. Bovendien betekent het enkele feit dat het in Turkije niet gebeurt nog niet dat [eiser] niet als eerste in Turkije dealer had kunnen worden voor meerdere merken. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom dat niet zou kunnen. Daarom is er geen ruimte voor nader onderzoek. Dat geldt ook omdat DAF met de tweede opzegging de importeursrelatie mocht beëindigen, ook als dit betekent dat [eiser] in werkelijkheid geen nieuw importeurscontract voor een ander merk kon afsluiten en dat haar dealers in werkelijkheid niet voor twee merken konden gaan werken (schade door deze aspecten komt ook om deze reden niet voor vergoeding in aanmerking). [eiser] had ook (alsnog) in onderhandeling kunnen treden met DAF over verkoop van dealers uit haar eigen groep. [eiser] had tot slot ook de vrijheid om elke verdere samenwerking met DAF te weigeren. Maar hoe dan ook mocht van [eiser] worden verwacht, in de door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding bij de wijziging of de afwikkeling van de samenwerking, dat zij in gesprek zou gaan met DAF over de transitie naar de nieuwe situatie, en dat zij ondertussen aan (potentiële) klanten zou laten weten dat DAF hoe dan ook voor hen zou blijven klaarstaan in Turkije . Dit alles heeft [eiser] niet gedaan, en zou [eiser] naar de rechtbank aanneemt ook niet hebben gedaan als DAF direct rechtsgeldig had opgezegd en de ongeldige opzegging achterwege zou hebben gelaten.

Tussenconclusie causaal verband

5.31.

Concluderend oordeelt de rechtbank dat aangenomen moet worden dat de onrust op de markt omtrent [eiser] en het merk DAF, die heeft geleid tot dalende verkoopcijfers en daarmee schade voor [eiser] , is veroorzaakt door de openlijke strijd die [eiser] is aangegaan met DAF na beëindiging van de overeenkomst door DAF. Er is aanleiding om aan te nemen dat [eiser] die strijd ook zo zou hebben gevoerd als DAF direct rechtsgeldig had opgezegd en de ongeldige opzegging achterwege zou hebben gelaten, omdat [eiser] die opzegging ook niet zou hebben aanvaard. Een causaal verband met de gedragingen van DAF waarop de aansprakelijkheid van DAF is gebaseerd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld.

5.32.

Kortom, de rechtbank vergelijkt de huidige situatie (met de gestelde schade) en de hypothetische situatie (waarin DAF onberispelijk zou hebben gehandeld) en komt tot de conclusie dat de gestelde schade zich voordoet in beide situaties en daarom niet in causaal verband staat met de tekortkoming van DAF.