Gepubliceerd op woensdag 2 september 2026
IT 5491
Gerechtshof Amsterdam ||
3 mrt 2026,
Gerechtshof Amsterdam 3 mrt 2026,, IT 5491; ECLI:NL:GHAMS:2026:584 ([appellant] tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-verhoging-dwangsom-voor-onrechtmatig-plaatsen-tracking-cookies-na-oordeel-bodemrechter

Geen verhoging dwangsom voor onrechtmatig plaatsen tracking cookies na oordeel bodemrechter

Hof Amsterdam 3 maart 2026, IT 5491; ECLI:NL:GHAMS:2026:584 ([appellant] tegen [geïntimeerde]). Het Gerechtshof oordeelt in kort geding over de vraag of de eerder aan [appellant] opgelegde dwangsom wegens het zonder toestemming plaatsen van tracking cookies op de apparaten van [geïntimeerde] moet worden verhoogd. In een eerder arrest van 5 december 2023 was [appellant] al geboden dit handelen te staken, op straffe van € 250 per dag of dagdeel tot maximaal € 25.000. In dat eerdere arrest was onder meer voldoende aannemelijk geacht dat tracking cookies zonder toestemming waren geplaatst en persoonsgegevens in strijd met de AVG waren verwerkt. Nadat [appellant] het maximum van € 25.000 had betaald, verhoogde de voorzieningenrechter de dwangsom tot € 500 per dag of dagdeel met een maximum van € 50.000. Ook in dit hoger beroep acht het hof voldoende aannemelijk dat het gebod nog niet volledig wordt nageleefd en dat het onrechtmatige gedrag zonder verdere maatregelen ook in de toekomst kan voortduren. Omdat het oorspronkelijke maximum al was betaald, ging van die dwangsom bovendien geen verdere prikkel tot nakoming meer uit.

Toch vernietigt het hof het vonnis waarin de dwangsom was verhoogd. Inmiddels heeft de Rechtbank Rotterdam in de bodemprocedure geoordeeld dat het eerdere gebod tegen het zonder toestemming plaatsen van tracking cookies in stand moet blijven, maar dat het opleggen van een (verdere) dwangsom onder de gegeven omstandigheden niet passend en proportioneel is. Daarbij woog de bodemrechter onder meer mee dat [appellant] maatregelen heeft getroffen om onrechtmatige cookieplaatsing te voorkomen, maar daarbij feitelijk mede afhankelijk is van derden. Op grond van de afstemmingsregel moet het hof als kortgedingrechter zijn oordeel afstemmen op dat van de bodemrechter. Daarom bestaat, ondanks het aannemelijke voortduren van overtredingen, geen ruimte om de dwangsom in dit kort geding te verhogen. Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] worden alsnog afgewezen. [geïntimeerde] moet de door [appellant] betaalde proceskosten uit eerste aanleg terugbetalen en de proceskosten in het principaal en incidenteel hoger beroep worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.9.

Deze beslissing, en de onderbouwing daarvan, moet zo worden begrepen dat de rechtbank van oordeel is dat, hoewel sprake is van dreigend onrechtmatig handelen en de geboden dus op hun plaats zijn, een dwangsom in de gegeven omstandigheden niet passend is. Wat [geïntimeerde] naar voren brengt, leidt niet tot een ander oordeel.

6.10.

[geïntimeerde] stelt in zijn uitlating naar aanleiding van dit vonnis dat hieraan niet deze betekenis moet worden toegekend, omdat de in reconventie gevorderde geboden een verdergaande strekking hadden dan in dit kort geding aan de orde. Dat laatste is op zich juist, maar die vorderingen omvatten ook de hier voorliggende geboden en daarvoor heeft de rechtbank geen uitzondering gemaakt.

6.11.

Verder voert [geïntimeerde] aan, dat het woord “aanvullende” in de hiervoor geciteerde rov. 4.33 zo moet worden begrepen, dat de rechtbank ervan uitgaat dat de door dit hof opgelegde en vervolgens door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis verhoogde dwangsommen in stand blijven, nu de rechtbank de vorderingen in conventie heeft afgewezen.

Dat volgt niet voldoende duidelijk uit het vonnis. In conventie lag immers geen vordering aangaande de dwangsommen voor. Dat de geboden gehandhaafd zijn zegt als zodanig niets over de daaraan verbonden dwangsommen. Verder is (de motivering voor) de afwijzing van de dwangsomvordering in 4.33 niet te verenigen met het in stand laten van de dwangsommen. Die motivering komt er immers op neer dat dwangsommen niet zinvol zijn. De enkele omstandigheid dat niet duidelijk is wat de rechtbank dan heeft bedoeld met het woord aanvullende (tussen streepjes) is onvoldoende om de interpretatie van [geïntimeerde] te volgen.