1 mei 2026
Geen volledige inzage in FSV-registratie ondanks AVG-verzoek
Rb. Limburg 1 mei 2026, IT 5289; ECLI:NL:RBLIM:2026:4259 ([eiseres] tegen de Minister van Financiën). In deze zaak tussen [eiseres] en de minister van Financiën stonden twee bestuursrechtelijke procedures centraal over de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst. De eerste procedure zag op een AVG-inzageverzoek met betrekking tot persoonsgegevens die van eiseres in de FSV waren opgenomen. De tweede procedure betrof een verzoek om schadevergoeding wegens de registratie van eiseres in de FSV. [eiseres] had de Belastingdienst verzocht om volledige inzage in haar FSV-registratie, waaronder de zogeheten “screenprints” van de registratie, en stelde daarnaast schade te hebben geleden door opname in de FSV. De minister verstrekte een overzicht van persoonsgegevens uit de FSV, maar weigerde inzage in bepaalde gegevens met een beroep op artikel 23 AVG en artikel 41 Uitvoeringswet AVG. Volgens de minister was beperking van inzage noodzakelijk ter bescherming van toezicht-, opsporings- en privacybelangen van derden. Daarnaast stelde de minister dat uit beschikbare systemen niet bleek dat persoonsgegevens van eiseres met andere instanties waren gedeeld.
De rechtbank oordeelt dat artikel 15 AVG geen recht geeft op integrale stukken of volledige screenprints van registratiesystemen. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan volstaan met een overzicht van persoonsgegevens, zolang daarmee het doel van het inzagerecht wordt bereikt. Alleen wanneer context noodzakelijk is om persoonsgegevens te begrijpen, kan verstrekking van onderliggende stukken vereist zijn. Daarvan was hier volgens de rechtbank geen sprake. Ook het beroep van eiseres op artikelen 8:42 en 7:4 Awb slaagt niet. De rechtbank verwijst naar rechtspraak van de Hoge Raad over elektronisch opgeslagen gegevens en overweegt dat de screenprints in dit geval geen stukken zijn die “op de zaak betrekking hebben”. De rechtbank acht de screenprints niet noodzakelijk voor beoordeling van het geschil en oordeelt daarom dat de minister deze niet hoefde te verstrekken. Ten aanzien van de geweigerde persoonsgegevens oordeelt de rechtbank dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom inzage gedeeltelijk is geweigerd. De rechtbank had de mogelijkheid aangeboden om zelf vertrouwelijk kennis te nemen van de geweigerde gegevens via artikel 8:29 Awb, maar eiseres gaf daarvoor geen toestemming. Dat de rechtbank daardoor de weigering niet inhoudelijk kon toetsen, komt volgens de rechtbank voor rekening van eiseres. Verder volgt de rechtbank de minister in diens standpunt dat niet is gebleken dat persoonsgegevens van eiseres vanuit de FSV met andere instanties zijn gedeeld. Volgens de rechtbank heeft de minister voldoende aannemelijk gemaakt dat controles op BSN-nummer zijn uitgevoerd en dat eiseres niet voorkomt op lijsten van personen van wie FSV-gegevens extern zijn gedeeld. Het verzoek om schadevergoeding wegens de FSV-registratie strandt eveneens. Onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt de rechtbank dat de bestuursrechtelijke weg voor dergelijke schadeclaims niet openstaat. Eventuele schade moet volgens de rechtbank via de civiele rechter worden gevorderd.
Wel krijgt eiseres een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de totale procedure ruim anderhalf jaar te lang heeft geduurd en kent daarom een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toe, grotendeels te betalen door de Staat. Daarnaast worden proceskostenvergoedingen toegekend
18. De minister heeft inzage van een aantal persoonsgegevens geweigerd op de uitzonderingsgrond in artikel 23 van de AVG en artikel 41 van de Uitvoeringswet AVG. De minister heeft in het bestreden besluit toegelicht dat het recht op inzage onder andere kan worden beperkt als het noodzakelijk is om de toezichts- en opsporingstaak van de overheid en/of de privacy van anderen te beschermen. De minister heeft eiseres geen inzage van persoonsgegevens gegeven ter bescherming van de privacy van de indieners van gegevens die in de FSV zijn opgenomen en ter bescherming van de belangen van de overheid in het kader van genoemde taken. De minister heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom hij eiseres in een deel van haar persoonsgegevens die in de FSV zijn opgenomen geen inzage geeft.