Gepubliceerd op maandag 24 augustus 2026
IT 5461
Gerechtshof Den Haag ||
28 jul 2026,
Gerechtshof Den Haag 28 jul 2026,, IT 5461; ECLI:NL:GHDHA:2026:2487 ([appellant] tegen de Nationale Politie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-zelfstandige-inzagevordering-tijdens-lopende-hoofdzaak-en-geen-verstrekking-identiteit-melder

Geen zelfstandige inzagevordering tijdens lopende hoofdzaak en geen verstrekking identiteit melder

Hof Den Haag 28 juli 2026, IT 5461; ECLI:NL:GHDHA:2026:2487 ([appellant] tegen de Nationale Politie). In deze zaak vordert [appellant] in kort geding inzage in en afschrift van het volledige, niet-geanonimiseerde mutatierapport dat de Politie heeft opgesteld nadat zij op 29 december 2023 zijn woning was binnengetreden naar aanleiding van informatie dat daar een vuurwapen zou liggen. Bij de doorzoeking werd geen vuurwapen aangetroffen. [appellant] had reeds een bodemprocedure tegen de Politie aanhangig gemaakt waarin hij schadevergoeding vordert wegens het volgens hem onrechtmatige binnentreden. Daarnaast wilde hij met het ongeschoonde mutatierapport achterhalen wie de melding had gedaan en onder welke omstandigheden, om te kunnen beoordelen of sprake was van een valse of kwaadwillige melding en of hij tegen de melder civiel- of strafrechtelijke stappen kon ondernemen. Hij baseerde zijn inzagevordering op art. 197 jo. 194 Rv. De voorzieningenrechter wees de vordering af, waarna [appellant] hoger beroep instelde.

Het hof oordeelt allereerst dat een bevel tot inzage als voorlopige bewijsverrichting niet meer in een zelfstandige kortgedingprocedure kan worden gevorderd wanneer de hoofdzaak al inhoudelijk aanhangig is. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht volgt dat bewijsverrichtingen tijdens een lopende procedure via de rechter moeten lopen aan wie die hoofdzaak is toebedeeld. Voor zover [appellant] het mutatierapport wil gebruiken ter onderbouwing van zijn reeds lopende schadeprocedure tegen de Politie, is hij daarom niet-ontvankelijk. Voor zover het verzoek ertoe strekt de melder te identificeren, leidt art. 194 Rv evenmin tot verstrekking. De Politie heeft aannemelijk gemaakt dat informatie over de betrouwbaarheid, motieven en eventuele eerdere contacten van de melder niet in het mutatierapport staat. De daarin wel opgenomen identiteit van de melder kwalificeert als politiegegeven in de zin van art. 1 Wpg. Op grond van art. 19 Wpg is de Politie niet bevoegd deze gegevens aan [appellant] als derde te verstrekken en geen wettelijke uitzondering is van toepassing; ook de Woo verplicht niet tot openbaarmaking. Bovendien is de Politie geen partij bij de gestelde rechtsverhouding tussen [appellant] en de melder, zodat ook art. 194 lid 3 Rv geen verplichting tot verstrekking oplevert. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.Ā 

6.11. De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.