IT 3378

Google aanspraak op proceskostenveroordeling

Hof Arnhem-Leeuwarden 12 januari 2021, IT 3378; ECLI:NL:GHARL:2021:243 (X tegen Google LLC) Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken, waardoor het hoger beroep wordt afgewezen. Google maakt echter wel aanspraak op een proceskostenveroordeling van verzoeker, waartegen verzoeker zich verzet. Daarbij beroept hij zich op een eerdere uitspraak van het Europese Hof van Justitie (Puškár), waarin werd geoordeeld dat er geen buitensporig hoge kosten mogen worden verbonden aan een administratieve beroepsgang. Daarbij heeft het HvJ EU zich niet uitgesproken over een proceskostenveroordeling in een civiele procedure tussen een betrokkene en een particuliere verwerker, zoals een marktpartij als Google. Het is gebruikelijk om het bedrag van de proceskosten vast te stellen op basis van een liquidatietarief, ook in deze zaak moet hiervan worden uitgegaan. De proceskostenveroordeling wordt daarom niet ontoelaatbaar geacht.

2.6 Het is in civiele procedures gebruikelijk om het bedrag van de proceskosten vast te stellen op basis van het liquidatietarief. In zaken als deze zal daarbij, zoals het hof ook doet, vrijwel altijd worden uitgegaan van tarief II (op basis van een vordering of verzoek van onbepaalde waarde). Onder deze omstandigheden, waarin het HvJ EU het in rekening brengen van kosten (in een administratieve rechtsgang) niet ontoelaatbaar acht, mits geen sprake is van buitensporige kosten, ziet het hof geen reden om in gerechtelijke procedures af te wijken van het gebruikelijke systeem van proceskostenveroordelingen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet alleen de betrokkene maar ook de particuliere verwerker - niet per sé een kapitaalkrachtige entiteit, zoals in dit geval - kosten moet maken voor het voeren van een procedure. Het risico op deze (gematigde) proceskostenveroordeling staat naar het oordeel van het hof niet in de weg aan het door artikel 79 AVG gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

2.7 Google heeft een uitgebreid verweerschrift in hoger beroep ingediend. In dat verweerschrift wordt gereageerd op de grieven van [verzoeker] in diens, eveneens omvangrijke, beroepschrift. Het enkele feit dat het verweerschrift geen nieuwe feitelijke stellingen bevat, betekent dan ook niet dat er nauwelijks tijd gemoeid zal zijn met het opstellen van dit processtuk, zoals [verzoeker] lijkt te suggereren. In deze omstandigheid is dan ook geen steekhoudend argument gelegen om de proceskosten te compenseren.