29 sep 2026,
Hof Den Haag: waarborgen bij raadpleging en plaatsing ANPR-camera’s schieten tekort; oordeel over noodzaak aangehouden
Hof Den Haag 29 september 2026, IEF 23879; IT 5542; ECLI:NL:GHDHA:2026:2898 (Privacy First tegen de Staat). Privacy First komt in hoger beroep op tegen de afwijzing van haar vorderingen over artikel 126jj Sv, op grond waarvan politie en Koninklijke Marechaussee met ANPR-camera’s het kenteken, de locatie, het tijdstip en een foto van passerende voertuigen kunnen vastleggen en deze gegevens vier weken kunnen bewaren. Het hof stelt voorop dat deze systematische verwerking een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer uit artikel 8 EVRM en tevens binnen het bereik van de artikelen 7 en 8 Handvest valt. De inmenging is volgens het hof wel “bij wet voorzien”: uit artikel 126jj Sv, het Besluit en de Regeling is voldoende voorzienbaar onder welke omstandigheden gegevens worden verzameld, hoe lang zij worden bewaard en onder welke voorwaarden zij kunnen worden geraadpleegd. De verwerking van ANPR-passagegegevens verschilt volgens het hof in aard en intensiteit van de bewaring van telecommunicatiegegevens, maar kan vanwege de schaal van de verwerking en de mogelijkheid om verplaatsingspatronen af te leiden wel degelijk een ernstige inmenging in de persoonlijke levenssfeer vormen. Daarom moeten de in de rechtspraak van het HvJ ontwikkelde eisen ten aanzien van toegang, toezicht en toetsing mede worden betrokken bij de beoordeling van de ANPR-regeling.
Het hof oordeelt dat de huidige waarborgen op twee punten tekortschieten. Ten eerste is de raadpleging van opgeslagen ANPR-gegevens niet onderworpen aan voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een andere voldoende onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Dat het bevel tot raadpleging wordt gegeven door de officier van justitie is volgens het hof onvoldoende, omdat het Openbaar Ministerie niet als de vereiste onafhankelijke derde kan worden aangemerkt. Ten tweede moet ook de keuze voor de plaatsing van ANPR-camera’s aan voldoende onafhankelijk toezicht worden onderworpen, omdat die keuze in belangrijke mate de omvang en intensiteit van de gegevensverwerking bepaalt. Daarnaast stelt het hof vast dat de monitoring van logbestanden op dit moment tekortschiet. Over de vraag of artikel 126jj Sv als geheel noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is, geeft het hof nog geen definitief oordeel. De Staat heeft de noodzaak van het stelsel vooralsnog onvoldoende met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd en krijgt daarom gelegenheid nadere informatie te verstrekken, onder meer over de feitelijke opsporingswaarde van ANPR, de noodzaak van de bewaartermijn van vier weken en mogelijke minder ingrijpende alternatieven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Artikel 8 EVRM
6.6
Artikel 8 EVRM beschermt het recht op de persoonlijke levenssfeer. Tussen partijen is niet in geschil dat de regeling van artikel 126jj Sv binnen het bereik van artikel 8 EVRM valt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen levert het op grond van artikel 126jj Sv systematisch verzamelen, bewerken, opslaan en in voorkomend geval gebruiken van kentekengegevens een inmenging op in het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
6.7
Een inmenging in het door artikel 8 EVRM beschermde recht op de persoonlijke levenssfeer is blijkens het tweede lid slechts toegestaan indien die inmenging bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van (onder meer) de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten.
6.8
Een bepaling is bij wet voorzien indien de bepaling in overeenstemming is met het nationale recht en bovendien in overeenstemming met de rule of law.6 De wet moet daarom toegankelijk zijn en voorzienbare gevolgen hebben (“foreseeable as to its effects”). De burger moet, zo nodig met passend advies, in redelijke mate kunnen voorzien onder welke omstandigheden en voorwaarden de overheid bevoegd is in zijn persoonlijke levenssfeer in te grijpen.
6.9
Voor maatregelen die naar hun aard niet of slechts beperkt kenbaar zijn voor de betrokkene, zoals vormen van heimelijk of geautomatiseerd toezicht (“secret surveillance”), stelt het EHRM verhoogde eisen aan de kwaliteit van de wettelijke regeling. De wet moet dan voldoende duidelijke en gedetailleerde regels bevatten “to give citizens an adequate indication as to the circumstances in which and the conditions on which public authorities are empowered to resort to any such measures”. Het gaat dan onder meer om de omstandigheden waaronder de bevoegdheid mag worden ingezet, de categorieën gegevens die mogen worden verwerkt, de toegang tot die gegevens, de duur van bewaring, het verdere gebruik, de verstrekking aan derden, toezicht en vernietiging. Die waarborgen moeten bescherming bieden tegen willekeur en misbruik.
6.10
Een inmenging op het door artikel 8 EVRM beschermde recht op de persoonlijke levenssfeer is alleen toegestaan indien deze in een democratische samenleving noodzakelijk is. Daarbij moet een afweging worden gemaakt (en een fair balance worden getroffen) tussen het doel dat met de inbreuk wordt gediend (het belang van de samenleving bij dat doel) en het recht dat daardoor wordt beperkt.7 “Noodzakelijk” betekent dat het niet voldoende is wanneer een maatregel“useful, reasonable or desirable” is. Evenmin betekent het dat een maatregel onmisbaar (“indispensable”) moet zijn.8 Er moet een dringende maatschappelijke behoefte (“pressing social need”) zijn en de lidstaat moet (feitelijk) onderbouwen dat de noodzaak van de inmenging bestaat.9 Daarbij moet met de maatregel het nagestreefde doel kunnen worden bereikt en de maatregel moet dus relevant en toereikend (“relevant and sufficient”)10 zijn. In het begrip “noodzakelijk” liggen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit besloten. Daarbij moet ook worden beoordeeld of het nagestreefde doel op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Welke factoren uiteindelijk doorslaggevend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.11
6.11
De nationale autoriteiten hebben een zekere beoordelingsruimte (“margin of appreciation”) bij de beoordeling van de vraag of een maatregel noodzakelijk is in een democratische samenleving. Die beoordeling is echter onderworpen aan een toetsing door de (nationale) rechter, omdat het EHRM met het leerstuk van de margin of appreciation zijn subsidiaire rol tot uitdrukking brengt ten opzichte van de nationale mechanismen die de bescherming van fundamentele rechten verzekeren.12 De reikwijdte (“narrow”, “certain” of “wide”) van de margin of appreciation kan afhankelijk zijn van de aard van de inmenging en van de rechtvaardiging daarvan.13
6.12
Ten aanzien van zogenaamde bulk interception van telecommunicatiegegevens heeft het EHRM geoordeeld dat er zogenaamde end-to-end safeguards moeten zijn. Dat betekent dat ten aanzien van iedere stap in het proces van het verkrijgen, selecteren, opslaan raadplegen, gebruiken verstrekken en vernietigen van gegevens waarborgen nodig zijn om te verzekeren dat iedere stap noodzakelijk en proportioneel is. Daarnaast moet bulk interception onderworpen zijn aan onafhankelijk toezicht. 14 Zoals hierna zal worden overwogen ziet deze rechtspraak niet rechtstreeks op artikel 126jj Sv, omdat het hier niet gaat om interceptie van communicatie. De daarin besloten gedachte dat grootschalige en geautomatiseerde gegevensverwerking gedurende de gehele levenscyclus van de gegevens door effectieve waarborgen moet worden omgeven, is echter wel van belang bij de beoordeling van de proportionaliteit en de kwaliteit van die wettelijke regeling.