IT 3101

HR: kentekenparkeren Amsterdam 'rechtvaardige privacy-inbreuk'

HR 10 april 2020, IT 3101; ECLI:NL:HR:2020:639 (Kentekenparkeren) Sinds 1 juli 2013 hanteert de gemeente Amsterdam een systeem van kentekenparkeren waarbij een parkeerder via de parkeerautomaat of mobiele telefoon het kenteken van zijn auto moet opgeven om parkeerbelasting te kunnen voldoen. Controle vindt plaats met gebruik van scanauto’s. De daarmee verkregen gegevens worden in versleutelde vorm bewaard. Indien de parkeerbelasting niet is voldaan, wordt de versleuteling ongedaan gemaakt en vraagt de heffingsambtenaar bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) de persoonsgegevens van de kentekenhouder op, waarna een naheffingsaanslag parkeerbelasting kan worden opgelegd. In deze zaak stelde de belanghebbende dat het kentekenparkeersysteem onder meer in strijd is met artikel 8 EVRM. Deze bepaling beschermt het recht op respect voor het privéleven van een ieder. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde dat geen sprake is van een inbreuk op het privéleven. Als dit wel het geval zou zijn dan was sprake van een rechtvaardiging als bedoeld in artikel 8, lid 2, EVRM, omdat de verplichting tot het opgeven van het kenteken bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van het economisch welzijn van het land. Er was volgens het Hof dan ook geen strijd met artikel 8 EVRM. Tegen deze beslissing stelde de belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad is gelet op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), anders dan het gerechtshof, van oordeel dat bij het kentekenparkeersysteem in Amsterdam sprake is van een inmenging door de gemeente in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Bij dit systeem van kentekenparkeren (het invoeren van het kenteken en controle door scanauto’s in de openbare ruimte) gaat het namelijk om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, gedurende enige tijd bewaren en gebruiken van gegevens. Wat dat betreft heeft de belanghebbende gelijk. In dit geval is deze inmenging echter gerechtvaardigd omdat de eis van het opgeven van het kenteken is te lezen in de Parkeerverordening 2013 van de gemeente Amsterdam in combinatie met de Gemeentewet.

5.10.1. Het Hof komt voor het onderhavige geval tot het oordeel dat zich geen verboden inmenging heeft voorgedaan. De controles door middel van scanauto’s zijn aan te merken als waarnemingen in de publieke ruimte die op zichzelf geen verboden inmenging opleveren. De redelijke verwachtingen van belanghebbende omtrent zijn privacy zijn in dit opzicht niet geschaad. Integendeel, hij kon nu juist verwachten dat controle van de parkeerbelasting zou plaatsvinden, en dat bij en ten behoeve van die controle het kenteken van de auto zou worden geregistreerd. 

5.10.2. Het Hof heeft geen reden eraan te twijfelen dat deze door de heffingsambtenaar aangevoerde procedure ook in het onderhavige jaar werd toegepast. Het Hof gaat dan ook voorbij aan de door belanghebbende bij de procedure gestelde “vraagtekens”, nu het tegendeel daarmee in genen dele aannemelijk is gemaakt.

Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot de conclusie leiden dat aan de door het EHRM of de Hoge Raad gestelde voorwaarden voor het kunnen aannemen van een schending van artikel 8 EVRM - als weergegeven onder 5.8. - is voldaan. De omstandigheid dat, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, de scangegevens aan de hand waarvan naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn opgelegd door de gemeente in een database worden vastgelegd en gedurende een bepaalde periode raadpleegbaar gehouden, leidt niet tot een dergelijke conclusie. Deze gegevens vormen bewijsmateriaal voor de heffingsambtenaar, ter onderbouwing van de desbetreffende naheffingsaanslag(en); het Hof acht niet aannemelijk dat deze gegevens op systematische wijze worden verzameld en bewaard met (mede) het doel “om aan de hand van een analyse van die gegevens per voertuig een beeld te krijgen van de verplaatsingen daarvan gedurende een jaar”.

5.11.1. Het Hof komt voor het onderhavige geval in 5.10 tot het oordeel dat zich geen verboden inmenging heeft voorgedaan (en alsdan wordt, zoals onder 5.5. is overwogen, niet toegekomen aan de vraag of zich een rechtvaardigend belang voordoet). Mocht evenwel, anders dan hiervoor is overwogen, desalniettemin moeten worden geoordeeld dat de verplichting tot het opgeven van het kenteken bij het voldoen van parkeerbelasting – ondanks de bij de uitvoering daarvan gehanteerde waarborgen – als een inmenging van openbaar gezag in de uitoefening van het recht op respect voor iemands privéleven kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 8, eerste lid, EVRM, dan dient artikel 8, tweede lid, EVRM te worden getoetst. Voor deze (denkbeeldige) situatie heeft naar het oordeel van het Hof te gelden dat sprake is van een rechtvaardigend belang als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM. Het Hof acht daartoe het volgende van belang.

5.12. Het hiervoor overwogene brengt het Hof tot de conclusie dat het door de heffingsambtenaar toegepaste systeem van kentekenparkeren - met inbegrip van de uitsluiting van betaling met contant geld - niet in strijd komt met artikel 8 EVRM. Alsdan wordt niet toegekomen aan de vraag of artikel 18 EVRM - dat geen autonoom karakter heeft en alleen toepassing kan vinden in samenhang met één of meer andere verdragsbepalingen - is geschonden.