Gepubliceerd op donderdag 2 juli 2026
IT 5334
HvJ EU ||
2 jul 2026,
HvJ EU 2 jul 2026,, IT 5334; ECLI:EU:C:2026:499 (Vodovody a kanalizace Přerov a.s. tegen Úřad pro ochranu osobních údajů), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-gezamenlijke-overheidscontrole-volstaat-voor-kwalificatie-als-overheidsonderneming-onder-open-data-richtlijn

HvJ EU: gezamenlijke overheidscontrole volstaat voor kwalificatie als overheidsonderneming onder open data-richtlijn

HvJ EU 18 juni 2026, IT&Recht 5334; ECLI:EU:C:2026:499 (Vodovody a kanalizace Přerov a.s. tegen Úřad pro ochranu osobních údajů). In deze prejudiciële procedure tussen Vodovody a kanalizace Přerov a.s. en de Tsjechische Úřad pro ochranu osobních údajů staat de vraag centraal wanneer een onderneming als "overheidsonderneming" in de zin van de richtlijn inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie moet worden aangemerkt. Meer in het bijzonder verduidelijkt het Hof van Justitie of meerdere openbare lichamen gezamenlijk een overheersende invloed kunnen uitoefenen en of daarvoor vereist is dat zij onderling afstemmen of gemeenschappelijke belangen nastreven. Aanleiding voor het geschil vormt een verzoek om inzage in de vergadernotulen van de bestuursorganen van Vodovody a kanalizace Přerov, een Tsjechische vennootschap die actief is op het gebied van drinkwatervoorziening en waterzuivering. De onderneming is vrijwel volledig in handen van verschillende Tsjechische steden en gemeenten, maar geen van deze aandeelhouders bezit zelfstandig een meerderheidsbelang. Nadat de onderneming het informatieverzoek had afgewezen omdat zij zichzelf niet als "overheidsonderneming" beschouwde, oordeelde de Tsjechische toezichthouder dat zij het verzoek alsnog overeenkomstig de nationale informatievrijheidswet moest behandelen. De verwijzende rechter vraagt vervolgens het Hof hoe het begrip "overheidsonderneming" uit artikel 2, punt 3, van Richtlijn 2019/1024 moet worden uitgelegd. Voordat het Hof de inhoudelijke vragen beantwoordt, gaat het eerst in op zijn bevoegdheid. Hoewel het hoofdgeding betrekking heeft op een verzoek om toegang tot documenten en niet op het hergebruik van overheidsinformatie als zodanig, stelt het Hof vast dat de Tsjechische wetgever de definitie van "overheidsonderneming" uit de richtlijn rechtstreeks en zonder voorbehoud heeft overgenomen in de nationale wetgeving en daarmee de personele werkingssfeer van de nationale informatiewet heeft afgestemd op die van de richtlijn. In lijn met de Dzodzi‑rechtspraak benadrukt het Hof dat de Unie er belang bij heeft dat dergelijke naar Unierecht overgenomen begrippen uniform worden uitgelegd. Daardoor bestaat een duidelijk belang bij een uniforme uitleg van het Unierecht en is het Hof bevoegd de prejudiciële vragen te beantwoorden. Het Hof leidt uit de tekst van artikel 2, punt 3, van de richtlijn af dat het begrip "overheidsonderneming" niet beperkt is tot ondernemingen waarop één openbaar lichaam een overheersende invloed kan uitoefenen. De bepaling spreekt uitdrukkelijk over "de openbare lichamen" in meervoud. Dat sluit aan bij de definitie van overheidsonderneming in Richtlijn 2014/25, waarop de open data‑richtlijn is gebaseerd en die eveneens uitgaat van aanbestedende diensten in meervoud.

Volgens het Hof heeft de Uniewetgever er bewust voor gekozen ook ondernemingen onder het toepassingsbereik te brengen waarop meerdere openbare lichamen gezamenlijk een overheersende invloed kunnen uitoefenen. Deze uitleg strookt volgens het Hof bovendien met de doelstellingen van de richtlijn. De richtlijn beoogt het hergebruik van overheidsinformatie te stimuleren en zo de ontwikkeling van digitale producten en diensten te bevorderen. Daarbij spelen gegevens die worden geproduceerd bij de uitvoering van openbare taken en diensten van algemeen belang een belangrijke rol, onder meer voor toepassingen op het gebied van kunstmatige intelligentie, het internet der dingen en andere datagedreven innovaties. Overwegingen 24 en 25 maken duidelijk dat de richtlijn er specifiek op is gericht de werkingssfeer uit te breiden naar overheidsondernemingen in sectoren zoals water‑ en energievoorziening; een beperkte uitleg van het begrip "overheidsonderneming" zou ertoe leiden dat een aanzienlijk deel van dergelijke informatie buiten het bereik van de richtlijn blijft, terwijl juist ondernemingen die gezamenlijk door meerdere overheden worden gecontroleerd regelmatig diensten van algemeen belang verrichten. Het Hof verwerpt vervolgens het standpunt dat daarnaast moet worden onderzocht of de betrokken openbare lichamen daadwerkelijk in onderling overleg handelen of gemeenschappelijke belangen nastreven. Volgens het Hof bevat de richtlijn daarvoor geen aanknopingspunten. De daarin opgenomen criteria, zoals het gezamenlijk bezitten van de meerderheid van het kapitaal, de meerderheid van de stemrechten of de bevoegdheid om meer dan de helft van de bestuurders te benoemen, vormen een gesloten set van objectieve beoordelingscriteria. Het vereisen van aanvullend onderzoek naar feitelijke samenwerking of gemeenschappelijke belangen zou afbreuk doen aan de rechtszekerheid en de uniforme toepassing van de richtlijn, omdat dergelijke subjectieve factoren kunnen variëren in de tijd en moeilijk objectief vast te stellen zijn. Het Hof concludeert daarom dat een onderneming waarop meerdere openbare lichamen gezamenlijk een overheersende invloed kunnen uitoefenen, onder het begrip "overheidsonderneming" in de zin van artikel 2, punt 3, van Richtlijn 2019/1024 valt. Voor het vermoeden van een dergelijke overheersende invloed volstaat dat aan één van de drie objectieve criteria (meerderheid van het geplaatste kapitaal, meerderheid van de stemrechten of benoemingsbevoegdheid voor meer dan de helft van de bestuurders) is voldaan; het is niet vereist dat wordt vastgesteld dat deze openbare lichamen in onderling overleg handelen of gemeenschappelijke belangen hebben.

42. Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 2, punt 3, van richtlijn 2019/1024 aldus moet worden uitgelegd dat een onderneming waarop meerdere openbare lichamen gezamenlijk een overheersende invloed kunnen uitoefenen, onder het begrip „overheidsonderneming” in de zin van deze bepaling valt, zonder dat voor het vermoeden van overheersende invloed moet worden onderzocht of de lichamen in onderling overleg handelen en gemeenschappelijke belangen hebben.