Gepubliceerd op vrijdag 23 oktober 2026
IT 5592
HvJ EU ||
8 okt 2026,
HvJ EU 8 okt 2026,, IT 5592; ECLI:EU:C:2026:843 (Digi România), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-oneerlijke-boetebedingen-in-telecomcontracten-mogen-niet-worden-gematigd

HvJ EU: oneerlijke boetebedingen in telecomcontracten mogen niet worden gematigd

HvJ EU 8 oktober 2026, IT 5592; ECLI:EU:C:2026:843 (Digi România). Het Hof heeft in twee gevoegde zaken, C-872/24 en C-909/24, prejudiciële vragen beantwoord over de toetsing van boete- en schadevergoedingsbedingen in consumentenovereenkomsten voor mobiele telefonie en internettoegang. In de eerste zaak vorderde telecomaanbieder Digi România betaling van achterstallige facturen, vermeerderd met een contractuele boete van 0,2% per dag betalingsachterstand. In de tweede zaak vorderde Investcapital, na overname van een vordering van Orange România, onder meer een boete van 0,5% per dag en een schadevergoeding wegens voortijdige beëindiging van overeenkomsten met een minimale looptijd van 24 maanden. De Roemeense rechter had de betrokken bedingen oneerlijk verklaard en stelde prejudiciële vragen over de toepassing van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het Hof oordeelt dat boetebedingen in overeenkomsten voor elektronische-communicatiediensten onder deze richtlijn vallen, ook wanneer de nationale sectorspecifieke wetgeving geen maximum voor dergelijke boetes stelt. Wanneer het nationale recht een beding dat een consument verplicht tot betaling van een onevenredig hoge schadevergoeding uitdrukkelijk als oneerlijk aanmerkt, kunnen materieel vergelijkbare bedingen zonder aanvullende toetsing aan artikel 3, lid 1, van de richtlijn oneerlijk worden verklaard. Die vergelijkbaarheid moet worden vastgesteld in een procedure op tegenspraak, waarin de verkoper zich daartegen kan verweren. Een nationale rechter die een boetebeding oneerlijk verklaart, moet dit beding buiten toepassing laten en mag de boete niet tot een lager bedrag matigen.

Daarnaast verduidelijkt het Hof dat ook een beding waarbij de consument wegens een aan hem toe te rekenen voortijdige beëindiging van een overeenkomst met een minimale looptijd de resterende maandelijkse bedragen moet betalen, aan de oneerlijkheidstoets kan worden onderworpen. Artikel 4, lid 2, van Richtlijn 93/13 staat daaraan niet in de weg. Een dergelijk beding heeft volgens het Hof, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, niet betrekking op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, maar strekt ertoe de consument te bestraffen voor voortijdige beëindiging. Dat een dergelijke vergoeding voor de toepassing van de btw-richtlijn als tegenprestatie voor een dienst onder bezwarende titel is aangemerkt, maakt dit niet anders. Beide richtlijnen hebben immers verschillende doelstellingen. Ook een beding waarbij de consument bij voortijdige beëindiging van een telecomovereenkomst met een minimale looptijd van 24 maanden een vergoeding verschuldigd is ter hoogte van de resterende termijnen, waarbij rekening wordt gehouden met eerder verleende kortingen op diensten en goederen, kan op grond van artikel 3, leden 1 en 3, van Richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met punt 1, onder e, van de bijlage, als oneerlijk worden aangemerkt. De beoordeling van de betrokken bedingen in de hoofdgedingen blijft aan de nationale rechter.

44      Het Hof heeft uit de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van deze richtlijn afgeleid dat de nationale rechter een oneerlijk contractueel beding buiten toepassing dient te laten, zodat het geen dwingende gevolgen heeft voor de consument tenzij die zich daartegen verzet, maar dat aan die rechter niet de bevoegdheid wordt toegekend om de inhoud daarvan te herzien. De overeenkomst moet in beginsel, zonder andere wijzigingen dan de schrapping van het oneerlijke beding, blijven voortbestaan voor zover dat voortbestaan volgens de regels van nationaal recht rechtens mogelijk is (zie in die zin beschikking van 3 september 2024, Investcapital, C‑658/23, EU:C:2024:716, punten 48, 52 en 56).

45      Deze uitlegging vindt steun in het doel en de algemene opzet van richtlijn 93/13. Gelet op het gewicht van het openbaar belang waarop de aan de consument – wiens onderhandelings- en informatiepositie tegenover de verkoper zwakker zijn – verschafte bescherming berust, verplicht artikel 7, lid 1, van deze richtlijn de lidstaten om in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien „om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers” (zie in die zin beschikking van 3 september 2024, Investcapital, C‑658/23, EU:C:2024:716, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46      Indien de nationale rechter de inhoud van oneerlijke bedingen in dergelijke overeenkomsten zou kunnen herzien, zou de verwezenlijking van het in artikel 7 bedoelde langetermijndoel in gevaar kunnen komen, doordat de afschrikkende werking die voor verkopers uitgaat van een loutere niet-toepassing van dergelijke oneerlijke bedingen ten aanzien van de consument hierdoor zou verminderen (zie in die zin arrest van 30 mei 2013, Asbeek Brusse en de Man Garabito, C‑488/11, EU:C:2013:341, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47      Hieruit volgt dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, ervan aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter die heeft vastgesteld dat een beding waarmee boeten wegens betalingsachterstand worden ingesteld in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk is, er niet mee mag volstaan, zelfs als dit op grond van het nationale recht is toegestaan, de ingevolge dat beding aan die consument opgelegde boete te verlagen, maar zonder meer verplicht is dat beding voor de consument buiten toepassing te laten (zie in die zin arrest van 30 mei 2013, Asbeek Brusse en de Man Garabito, C‑488/11, EU:C:2013:341, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 3 september 2024, Investcapital, C‑658/23, EU:C:2024:716, punt 58).