Gepubliceerd op vrijdag 1 mei 2026
IT 5248
HvJ EU ||
5 mrt 2026
HvJ EU 5 mrt 2026, IT 5248; ECLI:EU:C:2026:156 (Elettronica Industriale SpA tegen Ministero delle Imprese e del Made in Italy,), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hvjeu-vaste-staatsinkomsten-uit-frequentievergoedingen-toegestaan-mits-niet-boven-marktwaarde

HvJEU: Vaste staatsinkomsten uit frequentievergoedingen toegestaan, mits niet boven marktwaarde

HvJ EU 5 maart 2026, IT 5248; IEFbe 4210; ECLI:EU:C:2026:156 ( Elettronica Industriale SpA tegen Ministero delle Imprese e del Made in Italy). In deze prejudiciële zaak staat de vraag centraal of lidstaten bij het vaststellen van vergoedingen voor het gebruik van digitale televisiefrequenties rekening mogen houden met vooraf vastgestelde begrotingsdoelstellingen. Aanleiding vormt een Italiaans stelsel waarbij de hoogte van de vergoedingen mede wordt bepaald door een wettelijk vastgelegd minimum aan jaarlijkse inkomsten voor de staatsbegroting. Een netwerkexploitant betwistte de geldigheid van deze regeling, omdat zij zou neerkomen op een zuiver fiscale heffing die niet verenigbaar is met het Unierechtelijke kader voor elektronische communicatie.

Het Hof van Justitie oordeelt dat een dergelijke systematiek op zichzelf niet in strijd is met artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn 2002/20/EG, gelezen in samenhang met artikel 8 van de Kaderrichtlijn 2002/21/EG en het evenredigheidsbeginsel. Lidstaten beschikken over beoordelingsruimte bij het bepalen van de hoogte van vergoedingen voor het gebruik van schaarse middelen zoals radiofrequenties en mogen daarbij ook financiële doelstellingen betrekken. Bovendien schrijft het Unierecht niet voor waaraan de opbrengsten van deze vergoedingen moeten worden besteed, zodat lidstaten deze vrij kunnen aanwenden. Daarbij benadrukt het Hof alleen dat dergelijke vergoedingen steeds moeten voldoen aan de materiële eisen van artikel 13 van de machtigingsrichtlijn. Dit betekent dat zij objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend moeten zijn en in verhouding moeten staan tot het nagestreefde doel. In het bijzonder moeten zij bijdragen aan een efficiënt gebruik van schaarse middelen en de bevordering van concurrentie op de markt voor elektronische communicatiediensten. Cruciaal is volgens het Hof dat de totale opbrengst van de vergoedingen niet hoger mag zijn dan de economische waarde van de betrokken gebruiksrechten. De hoogte van de vergoedingen moet dus in redelijke verhouding staan tot de marktwaarde en de te verwachten rendabiliteit van de frequenties. Indien een vooraf vastgesteld inkomstenbedrag ertoe leidt dat deze waarde wordt overschreden, kan sprake zijn van een disproportionele heffing die het gebruik van frequenties ontmoedigt en daarmee de doelstellingen van het regelgevingskader ondermijnt. Het Hof verduidelijkt verder dat de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel primair betrekking heeft op de individuele vergoedingen die aan exploitanten worden opgelegd, en niet op het totale bedrag dat de staat wil genereren. Zolang de individuele vergoedingen op juiste wijze zijn vastgesteld en het totale inkomstenbedrag de waarde van de frequenties niet overschrijdt, is het bestaan van een begrotingsdoelstelling op zichzelf niet problematisch. Indien een nationale regeling deze grenzen overschrijdt en niet richtlijnconform kan worden uitgelegd, zijn nationale rechters gehouden deze buiten toepassing te laten, gelet op de rechtstreekse werking van artikel 13 van de machtigingsrichtlijn.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 13 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, gelezen in samenhang met artikel 8 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, en het evenredigheidsbeginsel

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in een criterium voor de berekening van de vergoedingen voor de gebruiksrechten voor digitale televisiefrequenties, dat wordt vastgesteld op basis van een vooraf bepaald bedrag aan jaarlijkse inkomsten die afkomstig moeten zijn van deze vergoedingen, en dus van algemene doelstellingen van financiële aard, voor zover dit bedrag niet hoger is dan de waarde van de gebruiksrechten voor die frequenties.