IT 3463

Inzageverzoek dient gepaard te gaan met identificatie

Data-Unsplash

Rechtbank Overijssel 26 maart 2021, IT 3463, ECLI:NL:RBOVE:2021:1295 (Eiser tegen College van B&W Losser) Bij brief van 18 augustus 2020 heeft eiser verweerder verzocht om hem uitsluitsel te geven of er hem betreffende persoonsgegevens bij verweerders organisatie worden verwerkt en, wanneer dat het geval is, om hem inzage te geven in die persoonsgegevens. Een medewerkster van de afdeling Publiekszaken heeft bij brief aangegeven dat zij eiser geen persoonsgegevens mag verstrekken zonder dat eiser zich voor deze aanvraag legitimeert. Eiser verstrekt zijn gegevens vervolgens niet en stelt een beroep in bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek. De rechtbank oordeelt dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op het verzoek een dwangsom opgelegd krijgt, maar ook dat eiser binnen twee weken alsnog de benodigde gegevens aan haar dient te verstrekken.

5.2. In dat kader stelt de rechtbank vast dat verweerder het verzoek op 19 augustus 2020 heeft ontvangen, zodat de termijn om een beslissing te nemen op het verzoek op 19 september 2020 is geëindigd. Verweerder is daarom vanaf 20 september 2020 in gebreke tijdig te beslissen op de aanvraag. Eiser heeft verweerder bij brief van 26 september 2020 in gebreke gesteld. Het beroep is ingediend nadat de in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb gestelde termijn van twee weken was verstreken en verweerder nog geen beslissing op de aanvraag had genomen. Dit betekent dat er sprake is van een ontvankelijk beroep-niet-tijdig.

7.2. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid, zoals neergelegd in artikel 8:55d van de Awb, aan de bestuursrechter is toegekend om bestuursorganen die weigerachtig zijn (tijdig) een beslissing te nemen, te bewegen deze beslissing op korte termijn alsnog te nemen. Deze bevoegdheid is niet bedoeld om zo veel mogelijk dwangsommen te incasseren. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder pas een beslissing kan nemen op het verzoek nadat eiser de door hem gevraagde informatie aan hem heeft toegezonden, deze informatie reeds twee maal bij eiser is opgevraagd en eiser weigert deze stukken naar verweerder toe te zenden omdat de brieven van verweerder volgens eiser niet aan de wettelijke eisen voldoen. Gelet op de weigerachtige houding van eiser zal de rechtbank gebruik maken van de bevoegdheid die haar in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb is toegekend. De rechtbank zal daarom eiser opdragen om binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog alle gegevens die verweerder nodig heeft om een beslissing te kunnen nemen op zijn verzoek naar verweerder toe te zenden in de door verweerder gewenste vorm. Verweerder dient vervolgens binnen een termijn van vier weken een beslissing te nemen op het verzoek. Om onnodige discussies en procedures te voorkomen, bepaalt de rechtbank dat deze termijn van vier weken aanvangt op het moment dat verweerder eiser schriftelijk heeft bericht dat hij de beschikking heeft over alle benodigde gegevens om het verzoek van eiser in behandeling te kunnen nemen. De rechtbank zal hier geen dwangsom aan verbinden.