IT 3125

Inzageverzoek ex artikel 15 AVG in kort geding afgewezen

Vzr. Rechtbank Amsterdam 30 april 2020, IT 3125; C/13/680460 / KG ZA 20-202 MDvH/MV (X tegen Y) X is een Russische staatsburger. X is op 25 juli 2011 als controller in dienst getreden bij Z, een Russische dochtervennootschap van Y,  het ‘Corporate Office’ van het Y concern, waarvan het hoofdkantoor is gevestigd in Houston, Texas (VS). X wordt ontslagen en verzoekt inzage in zijn persoonsgegevens. X stelt dat Y meer persoonsgegevens heeft verwerkt dan de gegevens die aan hem zijn verstrekt. X vordert Y te veroordelen tot nakoming van zijn verzoek tot inzage in al zijn persoonsgegevens en afgifte van zijn volledige personeelsdossier op grond van art.15 AVG. Er wordt overwogen dat de vordering die ziet op afgifte van het personeelsdossier niet toewijsbaar is, omdat Y moeilijk veroordeeld kan worden tot afgifte van iets waarover zij niet beschikt. Z was namelijk de werkgever van X, niet Y. Daarnaast is het niet mogelijk in een kort geding op basis van vermoedens een veroordeling uit te spreken tot het geven inzage, indien de gedaagde partij gemotiveerd betwist over de desbetreffende gegevens te beschikken. Dit alles betekent dat de gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

4.1. Y heeft bestreden in het bezit te zijn van het personeelsdossier van X. Dat zij hiervan niet in het bezit is, is voorshands voldoende aannemelijk aangezien niet, zij maar Z werkgever van X had te gelden. De vordering die ziet op afgifte van het personeelsdossier is dan ook reeds hierom niet toewijsbaar. Y kan moeilijk worden veroordeeld tot afgifte van iets waarover zij niet beschikt.

4.2. Voorts heeft Y gesteld reeds op 24 september 2019 volledig voldaan te hebben aan het verzoek van X tot inzage in zijn persoonsgegevens. Op die datum heeft Y inzage gegeven in de persoonsgegevens van 'People Search'  en het 'Restricted Stock
Program'. Dat X 'vermoedt' dat Y nog meer persoonsgegevens heeft ('verwerkt') is onvoldoende om Y te veroordelen tot het verlenen van inzage in die gegevens.   
 Dit vermoeden is onvoldoende onderbouwd, gezien het gemotiveerde verweer van Y dat onder meer inhoudt dat nimmer een Russische privédetective is ingeschakeld om onderzoek te doen naar X, dat er geen e-mailcorrespondentie bestaat over de huwelijkse staat van X en dat X nimmer in dienst is geweest van Y, doch uitsluitend van Z. Ook is door Y in de conclusie van dupliek gemotiveerd bestreden dat zij als verwerkingsverantwoordelijke heeft te gelden voor de persoonsgegevens die X heeft genoemd in zijn conclusie van repliek. Voor zover die gegevens bestaan heeft Z als verwerkingsverantwoordelijk te gelden. Het is niet mogelijk in een kort geding op basis van vermoedens een veroordeling uit te spreken tot het geven van inzage (op straffe van dwangsommen), indien de gedaagde partij gemotiveerd betwist over de desbetreffende gegevens te beschikken.