Gepubliceerd op woensdag 26 augustus 2026
IT 5471
Rechtbank Amsterdam ||
6 aug 2026,
Rechtbank Amsterdam 6 aug 2026,, IT 5471; ECLI:NL:RBAMS:2026:8215 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/it-dienstverlener-moet-80-terugbetalen-na-vernietiging-overeenkomst-wegens-schending-informatieplichten

IT-dienstverlener moet 80% terugbetalen na vernietiging overeenkomst wegens schending informatieplichten

Rb. Amsterdam 6 augustus 2026, RB 4114; IT 5471; ECLI:NL:RBAMS:2026:8215 ([eisers] tegen [gedaagde]). In deze zaak vorderen [eisers] terugbetaling van bedragen die zij betaalden voor een IT-dienstverleningsovereenkomst met [gedaagde]. Partijen sloten de overeenkomst in februari 2022 bij [eisers] thuis. Het ging om een abonnement voor 36 maanden van € 99,99 per maand voor IT-gerelateerde diensten. In april 2025 ontvingen [eisers] een brief van Ziggo waaruit bleek dat Ziggo-diensten op hun adres via een onderneming van [gedaagde] werden geleverd, terwijl het die onderneming niet was toegestaan deze diensten door te verkopen of commercieel te exploiteren. [eisers] vernietigden daarop de overeenkomst wegens schending van de precontractuele informatieplichten en misleiding. [gedaagde] betwist de vernietiging en stelt onder meer dat de vordering is verjaard en dat hij bij vernietiging recht heeft op vergoeding voor de IT-diensten die hij gedurende drie jaar heeft geleverd. 

De kantonrechter verwerpt het verjaringsverweer. De verjaringstermijn van art. 3:52 lid 1 onder d BW begon niet al bij het sluiten van de overeenkomst, omdat niet blijkt dat [eisers] toen al feitelijk in staat waren de vernietigingsgrond in te roepen. Omdat [gedaagde] als handelaar met consumenten bij hen thuis contracteerde, was sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte. Hij moest daarom voldoen aan de informatieplichten van art. 6:230m lid 1 en 6:230t BW. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] [eisers] niet informeerde over hun ontbindingsrecht en evenmin kan aantonen dat hij duidelijke informatie gaf over onder meer de voornaamste kenmerken van de diensten, zijn identiteit en adres, de wijze van betaling en uitvoering en de opzeggingsvoorwaarden. Ook legde hij niet schriftelijk vast welke IT-diensten [eisers] precies zouden afnemen. Daarmee schond hij ten minste vijf essentiële informatieplichten. Het weglaten van deze informatie vormt volgens de kantonrechter een misleidende omissie en daarmee een oneerlijke handelspraktijk. De overeenkomst was daarom vernietigbaar en [eisers] hebben haar rechtsgeldig vernietigd. Door de terugwerkende kracht van de vernietiging verviel de rechtsgrond voor hun betalingen. Voor de al geleverde diensten kan [gedaagde] op grond van art. 6:210 lid 2 BW alleen een vergoeding krijgen voor zover dat redelijk is. Gelet op de ernst van de informatiegebreken, de oneerlijke handelspraktijk en de omstandigheden waaronder de overeenkomst bij [eisers] thuis tot stand kwam, begroot de kantonrechter die vergoeding op 20% van het in rekening gebrachte bedrag. [gedaagde] moet daarom 80% van de gevorderde hoofdsom, € 4.736,79, terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente. Ook moet hij € 484,96 aan buitengerechtelijke kosten en € 1.123,14 aan proceskosten betalen. 

4.10. De kantonrechter is met [eisers] van oordeel dat [gedaagde] ook een oneerlijke handelspraktijk heeft verricht. Er is sprake van een oneerlijke handelspraktijk als een handelaar handelt in strijd met de vereisten van professionele toewijding en het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.4 Een handelspraktijk is in het bijzonder oneerlijk als een handelaar een misleidende handelspraktijk verricht. De wet noemt daar verschillende voorbeelden van, zoals de misleidende omissie.5 Ook hier rust in beginsel op de handelaar de bewijslast van de materiële juistheid en volledigheid van de informatie die hij heeft verstrekt.6

4.11.Sprake is van een misleidende handelspraktijk door omissie.7 [gedaagde] heeft essentiële informatie weggelaten, die een gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te nemen. Hiervoor is reeds geoordeeld dat [gedaagde] veel essentiële informatie niet heeft verstrekt. Het weglaten van die informatie levert een misleidende omissie op.8 Door [eisers] niet volledig te informeren heeft [gedaagde] hen niet de gelegenheid geboden een goed besluit over de overeenkomst te nemen en heeft [gedaagde] zich schuldig gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk.