24 dec 2025
IT-leverancier moet BC-project hervatten en opleveren; opschorting wegens openstaande facturen faalt
Rb. Noord-Holland 24 december 2025, IT&R 5144; ECLI:NL:RBNHO:2025:15321 (De Nederlandse tegen DHS). In dit kort geding tussen De Nederlandse Fashion Support B.V. en Dynamic Hosting Services B.V. (DHS) stond een in mei 2023 gesloten opdrachtovereenkomst centraal, op grond waarvan DHS de bestaande logistieke processen van De Nederlandse, die waren ondergebracht in het systeem Fashion Partner en in Exact, moest overbrengen naar Dynamics 365 Business Central (BC) en moest uitbreiden met de benodigde WMS-functionaliteit. Oorspronkelijk was voorzien dat het project in december 2023 zou worden opgeleverd zodat het per 1 januari 2024 operationeel zou zijn, bij een indicatief budget van € 77.300 exclusief btw op basis van nacalculatie, maar die planning werd niet gehaald. Nadat partijen in september en oktober 2024 opnieuw afspraken hadden gemaakt over de nog uit te voeren werkzaamheden en de verdeling van de aanvullende kosten, liet De Nederlandse uitdrukkelijk weten dat BC uiterlijk per 1 januari 2025 operationeel moest zijn omdat de bestaande leverancier Insys zijn ondersteuning zou beëindigen; ook die datum werd niet gehaald. Vervolgens werden nieuwe tijdelijke oplossingen gezocht, terwijl DHS uiteindelijk haar werkzaamheden opschortte wegens onbetaald gelaten facturen van in totaal € 6.300. In het geding vorderde De Nederlandse onder meer onmiddellijke hervatting van de werkzaamheden, behoorlijke oplevering van het BC-project inclusief training van personeel, en afgifte van de broncode en het functioneel ontwerpdocument van BC; daarnaast vorderde zij ook voorzieningen met betrekking tot een eerder door zustervennootschap DSS geleverde Sorter. DHS voerde daartegen aan dat geen fatale oplevertermijn was overeengekomen, dat de vertraging mede aan De Nederlandse te wijten was omdat zij als voorzitter van de stuurgroep onvoldoende regie zou hebben gevoerd, en dat zij haar werkzaamheden mocht opschorten wegens de openstaande facturen.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen met betrekking tot het BC-project grotendeels toe. Kern van het oordeel is dat voor een vordering tot nakoming van een nog lopende overeenkomst op grond van art. 3:296 BW geen ingebrekestelling of verzuim is vereist: zolang de overeenkomst niet is opgezegd of ontbonden en nog niet volledig is nagekomen, blijft DHS gehouden de opdracht af te ronden. Het beroep van DHS op opschorting wordt verworpen. Voor zover de openstaande facturen betrekking hadden op werkzaamheden aan de Sorter, ontbrak de voor art. 6:52 BW vereiste samenhang, omdat die werkzaamheden voortvloeiden uit een andere rechtsverhouding met DSS en niet uit de opdrachtovereenkomst met DHS. Voor zover de facturen zagen op meerwerk binnen het BC-project, was niet gebleken van de contractueel vereiste goedkeuring van De Nederlandse. Bovendien stond het openstaande bedrag van € 6.300 in geen verhouding tot het bedrag van circa € 150.000 dat reeds aan DHS was betaald, terwijl het openstaande bedrag bovendien op de derdengeldenrekening van de advocaat van De Nederlandse was geplaatst, zodat ook om die reden onvoldoende grond voor opschorting bestond. De rechter verwerpt ook het verweer dat De Nederlandse zelf onvoldoende regie had gevoerd: juist van DHS als professionele IT-partij mocht worden verwacht dat zij in een implementatietraject de leiding nam en haar verantwoordelijkheid niet op de opdrachtgever afschoof. DHS wordt daarom veroordeeld haar werkzaamheden onmiddellijk te hervatten, deze tijdens kantooruren voort te zetten en het BC-project, inclusief training van personeel, uiterlijk 31 januari 2026 behoorlijk op te leveren, op straffe van gematigde en gemaximeerde dwangsommen. Daarnaast moet DHS binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de broncode en het functioneel ontwerpdocument van het BC-project afgeven, nu die verplichting rechtstreeks voortvloeit uit art. 10.1 van haar algemene voorwaarden en DHS onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat De Nederlandse daar al over beschikte. De vorderingen met betrekking tot de Sorter worden afgewezen, omdat DHS geen partij was bij de overeenkomst over die installatie; die was gesloten met DSS. DHS wordt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.4.
Allereerst stelt DHS dat partijen geen fatale termijn voor oplevering zijn overeengekomen, zodat DHS niet in verzuim is. De voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. Voor een vordering tot nakoming in de zin van artikel 3:296 BW is geen ingebrekestelling of verzuim vereist. De bevoegdheid tot nakoming te vorderen is immers geen gevolg van een tekortkoming maar bestaat al daarvoor. Zolang de overeenkomst tussen partijen niet is opgezegd of ontbonden, met andere woorden nog voortduurt en nog niet geheel is nagekomen rust op DHS de verplichting om de opdracht af te ronden. Dat betekent dat DHS Fashion Partner moet overbrengen naar BC.
4.5.
DHS beroept zich er evenwel op dat zij niet hoeft na te komen omdat De Nederlandse een aantal facturen onbetaald heeft gelaten.
4.6.
Voor een rechtsgeldig beroep op opschorting conform artikel 6:52 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is vereist dat er sprake is van voldoende samenhang tussen de over en weer bestaande verplichtingen. Deze samenhang ontbreekt als de vordering waarop de opschorting wordt gebaseerd voortvloeit uit een andere rechtsverhouding dan de verplichting waarvan nakoming wordt opgeschort. Verder blijkt uit artikel 6:55 BW dat de grondslag voor opschorting ontbreekt, wanneer er voldoende zekerheid is gesteld. Daarbij dient de opschorting gerechtvaardigd te zijn.
4.7.
De facturen die door De Nederlandse tot op heden onbetaald zijn gebleven bestaan - onweersproken - voor een groot gedeelte uit werkzaamheden die zien op de Sorter. Deze werkzaamheden komen voort uit een overeenkomst tussen De Nederlandse en DSS. Omdat deze facturen geen betrekking hebben op een rechtsbetrekking tussen De Nederlandse en DHS, ontbreekt de samenhang. De facturen die zien op onderhoud aan de Sorter kunnen dan ook geen grondslag vormen voor een beroep op opschorting.
4.8.
De overige onbetaald gebleven facturen zien - onweersproken - op meerwerk dat DHS zou hebben verricht. Zoals blijkt uit artikel 3 van de opdrachtovereenkomst komt meerwerk voor vergoeding in aanmerking als De Nederlandse daar goedkeuring voor heeft verleend. Anders dan DHS aanvoert is van goedkeuring door De Nederlandse niet gebleken. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet dat De Nederlandse op dit moment een betalingsverplichting heeft ten aanzien van deze facturen, zodat deze facturen geen grondslag voor opschorting kunnen vormen. Bovendien staat het bedrag dat openstaat (€6.300,--) in geen verhouding tot de bedragen die De Nederlandse reeds aan DHS heeft betaald (circa € 150.000,-). Om voor niet betaling van dat bedrag alle werkzaamheden op te schorten is disproportioneel. Daarbij heeft tevens nog te gelden dat onweersproken is gesteld dat het openstaande bedrag ter zekerheid op de derdengeldenrekening van mr. Van de Beeten staat. Daarmee is ook voldoende zekerheid gesteld.
4.9.
Gelet op het voorgaande faalt het beroep van DHS op opschorting van haar verplichtingen.