IT 2749

Klein voorval is onvoldoende reden om opgenomen te worden in registers Rabobank

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 april 2019, IT 2749; ECLI:NL:GHARL:2019:3120 (Rabobank tegen X) Privacy. Belangenafweging. X is van mening dat hij ten onrechte is opgenomen in de gebeurtenissenadministratie, het Intern Verwijzingsregister (IVR) en het Incidentenregister van Rabobank. De reden dat X hierin is opgenomen is dat toen hij op 18 augustus 2005 een hypothecaire lening bij Rabobank afsloot, hij geen melding had gemaakt van de kredietfaciliteit in rekening-courant die hij op 12 augustus 2005 met ABN Amro was overeengekomen en dat hij de indruk had gewekt over meer eigen middelen te beschikken dan hij deed. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gegevens inderdaad uit de registers gewist dienden te worden. Nu er geen fraude of een ander strafbaar feit ten grondslag ligt aan de registratie, het voorval zich al in 2005 afspeelde en er sindsdien niets meer is voorgevallen, en het feit dat Rabobank normaal gesproken een 8-jaren termijn hanteert bij dit soort voorvallen, leidt een afweging van belangen tot de conclusie dat belangen van X zwaarder wegen dan die van Rabobank. Het hoger beroep faalt derhalve.

 

4.10. In de eerste plaats betreft dat de zwaarte van het voorval dat aan de gebeurtenis ten grondslag ligt. Rabobank voert hieromtrent aan dat zij de financiering destijds niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben verstrekt, indien [Geïntimeerden] haar volledig en juist zou hebben geïnformeerd en spreekt in dit verband over misleiding. Volgens [Geïntimeerden] was er geen sprake van misleiding, maar van een misverstand. Naar het oordeel van het hof ligt aan de gebeurtenis, ongeacht welke van de interpretaties van het voorval wordt gevolgd, geen fraude of een ander strafbaar feit ten grondslag, maar een relatief licht vergrijp dat bij toeval aan het licht is gekomen. Het gaat er dan om dat [Geïntimeerden] de indruk heeft laten ontstaan dat hij beschikte over liquide middelen tot een bedrag van € 100.000,- die hij als eigen vermogen zou inbrengen om de aankoopsom voor de boerderij te voldoen, terwijl hij in werkelijkheid beschikte over het gedeponeerde bedrag van € 65.000,- en daarnaast over eigen vermogen in de vorm van de overwaarde van zijn woonhuis (dat tezamen met het gedeponeerde bedrag wel € 100.000,- of meer bedroeg). Het hof is dan ook van oordeel dat sprake is van een gebeurtenis van een lichtere categorie.

4.11. Daarnaast speelt het tijdsverloop sinds de gebeurtenis in 2005. Rabobank heeft aangevoerd dat met dit tijdsverloop al rekening is gehouden toen werd besloten de relatie niet per direct te beëindigen, maar deze (na opname in het IVR en de Gebeurtenissenadministratie) passief af te bouwen door geen nieuwe zaken meer met [Geïntimeerden] te doen. In deze procedure gaat het om de opname in het IVR en de Gebeurtenissenadministratie en worden de wederzijdse belangen in het kader van het proportionaliteitsbeginsel afgewogen om te bepalen of die opname gerechtvaardigd is. Dat Rabobank niet voor een zwaarder alternatief heeft gekozen, is in dat verband niet relevant en leidt er dan ook niet toe dat het tijdsverloop sinds 2005 geen rol speelt bij de belangenafweging.

4.13. [Geïntimeerden] heeft met betrekking tot het tijdsverloop nog aangevoerd dat de vermelding in de Gebeurtenissenadministratie, gegeven de door Rabobank gehanteerde termijn van acht jaar, al in 2013 zou zijn verwijderd als de gebeurtenis meteen bij het plaatsvinden zou zijn geconstateerd en vermeld, alsmede dat Rabobank door het hanteren van een termijn aangeeft dat het belang van vermelding afneemt door tijdsverloop. Beide stellingen zijn door Rabobank niet weersproken. Het hof gaat uit van de juistheid van de stellingen en acht ze beide relevant voor de belangenafweging ten aanzien van de Gebeurtenissenadministratie en het IVR (voor registratie in het IVR is immers een vermelding in de Gebeurtenisssenadministratie noodzakelijk).

4.14. In het kader van de belangenafweging met betrekking tot opname in het IVR en de Gebeurtenissenadministratie heeft Rabobank betoogd dat zij al het vertrouwen in [Geïntimeerden] is verloren en daarom geen nieuwe bankzaken met hem wil doen. Om de passieve afbouw te kunnen realiseren, wil Rabobank de gebeurtenis opnemen in het IVR en de Gebeurtenissenadministratie. [Geïntimeerden] stelt tegenover het belang van Rabobank dat hij als een gewone klant behandeld wil worden, dat hij niet langer wil dat er de suggestie van fraude om hem heen hangt en dat hij nu, bijna veertien jaar na de gebeurtenis, het recht heeft om wat dit betreft vergeten te worden. Het hof acht het begrijpelijk dat Rabobank het vertrouwen in [Geïntimeerden] door (het bekend worden met) de gebeurtenis is verloren en dat zij ten gevolge daarvan geen nieuwe zaken met [Geïntimeerden] wil doen, zodat zij belang heeft bij een registratie in het IVR (en de daar noodzakelijkerwijs mee gepaard gaande vermelding in de Gebeurtenissenadministratie). Aangezien de gebeurtenis een relatief licht vergrijp betreft dat bijna veertien jaar geleden plaatsvond, terwijl [Geïntimeerden] Rabobank sinds de gebeurtenis geen reden voor reële twijfel over zijn moraliteit heeft gegeven, het belang bij een registratie door tijdsverloop afneemt en de registratie al meer dan vijf jaar zou zijn verwijderd als Rabobank deze meteen na het plaatsvinden van de gebeurtenis had kunnen doen, is dat belang thans echter niet groot meer. Het daartegenover staande belang van [Geïntimeerden] om vergeten te worden en te worden bevrijd van de suggestie van fraude, is door het tijdsverloop juist toegenomen en inmiddels zwaarwegend. Het hof is dan ook van oordeel dat ten aanzien van de registratie in het IVR (en de daar noodzakelijkerwijs aan gekoppelde vermelding in de Gebeurtenissenadministratie) het belang van [Geïntimeerden] om niet geregistreerd te staan zwaarder weegt dan het belang van Rabobank bij de registratie.