Gepubliceerd op donderdag 23 april 2026
IT 5231
HvJ EU ||
12 mrt 2026
HvJ EU 12 mrt 2026, IT 5231; ECLI:EU:C:2026:184 (Magyar Telekom Nyrt. tegen Nemzeti Média- és Hírközlési Hatóság Elnöke), https://www.itenrecht.nl/artikelen/kosteloos-opzegrecht-bij-contractwijzigingen-na-zero-ratingrechtspraak

Kosteloos opzegrecht bij contractwijzigingen na zero-ratingrechtspraak

HvJ EU 12 maart 2026, IT 5231; ECLI:EU:C:2026:184 (Magyar Telekom Nyrt. tegen Nemzeti Média- és Hírközlési Hatóság Elnöke). In Magyar Telekom (C-514/24) verduidelijkt het Hof van Justitie de betekenis van artikel 105, lid 4, eerste alinea, van richtlijn 2018/1972 (het Europees wetboek voor elektronische communicatie). De zaak ontstond nadat de Hongaarse telecomtoezichthouder Magyar Telekom had verplicht haar abonnementen met een zero-ratingoptie aan te passen, omdat die optie volgens de rechtspraak van het Hof onverenigbaar was met artikel 3, lid 3, van verordening 2015/2120 inzake open-internettoegang. De prejudiciële vraag was of eindgebruikers in zo’n situatie hun contract zonder extra kosten mogen beëindigen, of dat de uitzondering geldt voor wijzigingen die “rechtstreeks worden opgelegd door het Unie- of het nationale recht”. Het Hof stelt voorop dat artikel 105, lid 4, een algemene regel van kosteloos opzegrecht bevat en dat de drie uitzonderingen daarop strikt moeten worden uitgelegd. In samenhang met overweging 275 oordeelt het Hof dat de derde uitzondering alleen geldt wanneer de wijziging van de contractvoorwaarden rechtstreeks en noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de inwerkingtreding of wijziging van een wetgevende of regelgevende handeling van Unierecht of nationaal recht. Die uitleg sluit aan bij de doelstelling van de richtlijn om een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming van eindgebruikers te waarborgen.

Vanuit dat uitgangspunt beslist het Hof dat noch een prejudiciële beslissing van het Hof, noch BEREC-richtsnoeren, noch een besluit van een nationale regelgevende instantie onder die uitzondering valt. Een prejudiciële beslissing is immers declaratoir en niet constitutief: zij preciseert slechts wat het Unierecht sinds de inwerkingtreding al betekende en vormt dus geen wijziging van het recht. Ook BEREC-richtsnoeren zijn geen wetgevende of regelgevende handelingen en zijn, ondanks hun praktische gewicht, niet juridisch bindend. Evenmin is een individueel besluit van een nationale regelgevende instantie, dat bestaand Unierecht toepast op een concreet geval, een nationale rechtsregel die de contractwijziging rechtstreeks oplegt in de zin van artikel 105, lid 4. Daarom luidt het dictum dat een eindgebruiker het recht heeft om zijn contract zonder extra kosten te beëindigen wanneer een aanbieder het contract wil wijzigen om het in overeenstemming te brengen met de uitlegging van het Unierecht door het Hof, met nadien vastgestelde BEREC-richtsnoeren, of met een toezichthoudersbesluit dat op die rechtspraak en richtsnoeren steunt.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 105, lid 4, eerste alinea, van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie

moet aldus worden uitgelegd dat

een eindgebruiker het recht heeft om het met een aanbieder van elektronische-communicatiediensten gesloten contract zonder extra kosten te beëindigen wanneer deze aanbieder voorstelt om dat contract te wijzigen teneinde het in overeenstemming te brengen met de door het Hof van Justitie van de Europese Unie in een prejudiciële beslissing gegeven uitlegging van een bepaling van Unierecht die bepaalde aspecten van een dergelijk contract regelt, met de richtsnoeren van het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie die na dat arrest zijn vastgesteld, of met een tot die aanbieder gericht besluit van een nationale regelgevende instantie waarbij dat arrest en die richtsnoeren in acht zijn genomen.