Gepubliceerd op donderdag 3 september 2026
IT 5495
Overige instanties ||
15 apr 2026,
Overige instanties 15 apr 2026,, IT 5495; ECLI:NL:RVS:2026:2096 (Het LUMC tegen [appellanten]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/lumc-mocht-namen-van-onderzoekers-in-contracten-met-leveranciers-van-medische-hulpmiddelen-afschermen

LUMC mocht namen van onderzoekers in contracten met leveranciers van medische hulpmiddelen afschermen

ABRvS 15 april 2026, IT 5495; LS&R 2457; ECLI:NL:RVS:2026:2096 (LUMC tegen [appellant sub 2]). In deze zaak tussen het LUMC en [appellant sub 2] staat een Wob-verzoek centraal over overeenkomsten tussen het ziekenhuis of daar werkzame zorgprofessionals en ondernemingen die medische hulpmiddelen produceren, verhandelen of daaraan gerelateerde diensten verrichten. Het verzoek ziet onder meer op consultancy-, dienstverlenings-, sprekers- en sponsorovereenkomsten en contracten zoals bedoeld in de Gedragscode Medische Hulpmiddelen. Het LUMC heeft twintig documenten gevonden en deze gedeeltelijk openbaar gemaakt. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde eerder dat het LUMC onvoldoende had gemotiveerd waarom namen en specialisaties van medewerkers waren weggelakt. Volgens de rechtbank kon bij hoogleraren en gerenommeerde onderzoekers of wetenschappers ervan worden uitgegaan dat zij uit hoofde van hun functie naar buiten treden. Ook vond de rechtbank dat het LUMC verschillende andere passages te generiek had afgeschermd. Voor gegevens over specifiek te onderzoeken of ontwikkelen producten, onderzoeksmethoden en financiële gegevens achtte de rechtbank geheimhouding wel gerechtvaardigd. In hoger beroep voert het LUMC aan dat niet iedere hoogleraar of onderzoeker vanwege zijn functie in de openbaarheid treedt. Volgens het LUMC moet worden gekeken naar de concrete situatie en naar de vraag of een medewerker daadwerkelijk als vertegenwoordiger van het ziekenhuis optreedt. De Afdeling volgt dit standpunt.

De Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat een medewerker hoogleraar, gerenommeerd onderzoeker of wetenschapper is en in wetenschappelijke tijdschriften publiceert, nog niet betekent dat die persoon vanuit zijn functie bij het LUMC in de openbaarheid treedt. Van optreden als vertegenwoordiger van het LUMC is in beginsel sprake wanneer de medewerker vanuit zijn functie een bestuurlijke aangelegenheid behartigt en op basis van zijn positie, volmacht of mandaat naar buiten treedt. In deze zaak geldt dat bijvoorbeeld voor leden van de Raad van Bestuur en divisiemanagers die overeenkomsten namens het LUMC hebben ondertekend. Dat ligt anders bij arts-onderzoekers die een overeenkomst uitsluitend voor gezien ondertekenen of op basis van hun wetenschappelijke of klinische expertise bij een project zijn betrokken. Ook medewerkers die volgens een overeenkomst op een congres spreken of een wetenschappelijke lezing geven, treden daarmee niet zonder meer als vertegenwoordiger van het LUMC naar buiten. De rechtbank had daarom ten onrechte aangenomen dat hoogleraren en gerenommeerde onderzoekers alleen vanwege hun functie in de openbaarheid treden. Het LUMC mocht de namen, handtekeningen en parafen van deze medewerkers daarom weigeren openbaar te maken op grond van de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Hetzelfde geldt voor functiebeschrijvingen en specialismen wanneer die tot een specifieke medewerker herleidbaar zijn. [appellant sub 2] heeft volgens de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het belang van openbaarheid in dit geval zwaarder weegt. De Afdeling oordeelt daarnaast dat de AVG niet zelfstandig bepaalt welke overheidsinformatie openbaar moet worden gemaakt. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt in dit geval beoordeeld binnen het kader van de Wob. Het specifieke belang van de verzoeker bij de gevraagde informatie speelt daarbij in beginsel geen rol. Het hoger beroep van het LUMC is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Ook het beroep tegen het nadere besluit van het LUMC wordt ongegrond verklaard

7.1.    De Afdeling overweegt dat de AVG geen invulling geeft aan het recht op en beperkingen van toegang tot overheidsinformatie. De AVG heeft tot doel om natuurlijke personen te beschermen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens en het vrije verkeer van deze gegevens. De Staat moet zorgen dat de belangen van burgers niet nodeloos worden geschaad. Dit brengt mee dat informatie over burgers alleen openbaar wordt gemaakt als dat noodzakelijk is. Waar het de bescherming van de persoonlijke levenssfeer betreft is deze zorgplicht neergelegd in artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob hoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen. De Wob gaat er vanuit dat bij de beoordeling van een verzoek om informatie het belang dat de verzoeker bij de informatie heeft in beginsel geen rol speelt. Anders dan het LUMC heeft aangevoerd, kan het belang dat [appellant sub 2] bij zijn verzoek zou hebben, namelijk om inzicht te krijgen in de afspraken in overeenkomsten die zijn gesloten tussen het LUMC en leveranciers, daarom geen rol spelen bij de beoordeling of de namen van medewerkers mochten worden gelakt.

8.3.    De rechtbank heeft ook ten onrechte overwogen dat het op de weg van het LUMC ligt om, indien het voornemens was om openbaarmaking van de namen te weigeren, te inventariseren hoe deze personen daar zelf tegenover stonden. Zoals het LUMC terecht heeft aangevoerd, bevat artikel 10, derde lid, van de Wob daartoe geen verplichting. Vergelijk: uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3713.

8.4.    Het LUMC heeft de namen, handtekeningen en functies van de personen die namens het LUMC overeenkomsten hebben ondertekend openbaar gemaakt. Zoals het LUMC terecht heeft aangevoerd, heeft zij de openbaarmaking van de namen, handtekeningen en parafen van haar medewerkers voor het overige terecht geweigerd. Het gaat hier om medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden dan wel in de specifieke situatie niet als vertegenwoordiger van het LUMC optreden. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betreffende medewerkers. Zoals het LUMC terecht heeft aangevoerd, geldt dat ook voor zover de in de overeenkomsten opgenomen functiebeschrijvingen en/of specialismen tot een specifieke medewerker herleidbaar zijn.