26 feb 2026
Mediavrijheid en radiospectrum: Hongarije schendt Unierecht door uitsluiting van Klubrádió
HvJ EU 26 februari 2026, IT&R 5129; ECLI:EU:C:2026:108 (Europese Commissie tegen Hongarije). In deze niet-nakomingsprocedure oordeelt het Hof van Justitie dat Hongarije het Unierecht heeft geschonden door Klubrádió op onevenredige wijze de voortzetting van uitzendingen op de FM-frequentie 92.9 MHz te beletten. Het Hof stelt eerst vast dat de betrokken Hongaarse regeling en besluiten weliswaar raken aan media-inhoud, maar tegelijk rechtstreeks betrekking hebben op de toewijzing en verlenging van gebruiksrechten voor radiospectrum, zodat het Unierechtelijke kader voor elektronische communicatie van toepassing is. Tegen die achtergrond acht het Hof § 48, lid 7, van de Hongaarse mediawet onverenigbaar met de eisen van evenredigheid, omdat die bepaling de verlenging van gebruiksrechten automatisch uitsluit zodra sprake is van een herhaalde inbreuk, ook als die inbreuk louter formeel en gering is en al met een geldboete is bestraft. Daardoor is ook het besluit van de mediaraad van 8 september 2020 onrechtmatig, waarbij de verlenging van Klubrádió’s rechten wordt geweigerd wegens herhaalde tekortkomingen bij het aanleveren van gegevens over uitzendquota. Daarnaast stelt het Hof vast dat dit weigeringsbesluit veel te laat is genomen, namelijk niet binnen de in de machtigingsrichtlijn voorgeschreven termijn van zes weken, zodat ook artikel 5, lid 3, van die richtlijn en het beginsel van behoorlijk bestuur zijn geschonden.
Verder oordeelt het Hof dat ook de daaropvolgende aanbesteding voor dezelfde frequentie en het besluit waarbij de inschrijving van Klubrádió ongeldig wordt verklaard, in strijd zijn met het Unierecht. De aanbestedingsvoorwaarden zijn volgens het Hof niet voldoende transparant en stellen onevenredige eisen, doordat geringe en herstelbare fouten in de offerte zonder enige beoordelingsruimte tot uitsluiting leiden en doordat financiële eisen worden toegepast die niet vooraf duidelijk uit de aanbesteding blijken. Ook heeft Hongarije nagelaten tijdig een procedure voor herverdeling van de frequentie te starten, waardoor de frequentie enige tijd ongebruikt blijft en het efficiënt beheer van het radiospectrum wordt ondermijnd. Bovendien is § 65, lid 11, van de mediawet onverenigbaar met het evenredigheidsbeginsel, omdat aanbieders wier rechten niet zijn verlengd wegens een herhaalde inbreuk geen tijdelijke gebruiksrechten kunnen aanvragen. Ten slotte verbindt het Hof hieraan een grondrechtelijke conclusie: de combinatie van deze wettelijke bepalingen, de weigering van verlenging en de ongeldigheid van de offerte vormt een ongerechtvaardigde en onevenredige inmenging in de door artikel 11 Handvest beschermde vrijheid van meningsuiting, informatievrijheid en mediavrijheid. Het beroep van de Commissie slaagt daarom grotendeels; alleen enkele onderdelen, waaronder het beroep op discriminatie en loyale samenwerking, worden verworpen.
b) Beoordeling door het Hof
355 Volgens artikel 11, lid 1, van het Handvest heeft „[e]enieder recht op vrijheid van meningsuiting” hetgeen de vrijheid omvat „een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen”. Volgens dat artikel 11, lid 2 worden „[d]e vrijheid en de pluriformiteit van de media [...] geëerbiedigd”.
356 Bij omroeporganisaties – zoals radiostations – neemt inmenging in de vrijheid van meningsuiting en informatie de bijzondere vorm aan van inmenging in de vrijheid van de media of de vrijheid van uitzending, zoals specifiek beschermd door artikel 11, lid 2, van het Handvest (zie in die zin arrest van 3 februari 2021, Fussl Modestraße Mayr, C‑555/19, EU:C:2021:89, punt 83).
357 De met de vrijheid van uitzending verbonden mediavrijheid omvat echter niet alleen het recht om informatie mee te delen, maar ook, en onlosmakelijk daarmee verbonden, het recht om elk geschikt middel te gebruiken om informatie uit te zenden en aan het grootste aantal ontvangers te doen toekomen.
358 Tot deze middelen om informatie uit te zenden behoort het radiospectrum, dat, gelet op de essentiële rol die audiovisuele media, zoals radio en televisie, spelen bij de vorming van de publieke opinie, een essentieel kanaal vormt voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
359 De verlening van gebruiksrechten voor radiofrequenties heeft dus rechtstreekse gevolgen voor het met de vrijheid van uitzending verbonden recht op mediavrijheid in zijn beide dimensies, te weten het recht om vrijelijk informatie te verstrekken en het recht om informatie te ontvangen.
360 Met betrekking tot artikel 10 EVRM, dat overeenkomt met artikel 11 van het Handvest en waarvan de uitlegging door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest in aanmerking moet worden genomen bij de uitlegging van dat artikel 11, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dan ook opgemerkt dat dit artikel 10 de vrijheid van meningsuiting en van informatie garandeert aan elke persoon, en niet alleen betrekking heeft op de inhoud van de informatie, maar eveneens op de middelen waarmee de informatie wordt uitgezonden, waarbij elke beperking van die middelen het recht om informatie te ontvangen en mee te delen raakt (zie in die zin EHRM, 28 september 1999, Öztürk tegen Turkije, CE:ECHR: 1999:0928JUD002247993, § 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
361 Zoals blijkt uit de toelichtingen bij artikel 11 van het Handvest, waarmee bij de uitlegging van dit artikel rekening moet worden gehouden, mogen de beperkingen die aan het recht op vrijheid van meningsuiting kunnen worden gesteld, dus niet verder gaan dan de beperkingen die zijn neergelegd in dit artikel 10, lid 2, EVRM. De legitieme redenen voor de inmenging in de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting zijn opgesomd in dit artikel 10, lid 2, en houden verband met de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, alsmede de noodzaak om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Deze opsomming is uitputtend (EHRM, 15 maart 2022, OOO Memo tegen Rusland, CE:ECHR:2022:0315JUD000284010, § 37). De beperkingen die de lidstaten kunnen stellen aan het recht op vrijheid van meningsuiting laten bovendien de beperkingen onverlet die op grond van het mededingingsrecht van de Unie kunnen worden opgelegd om de lidstaten de mogelijkheid te bieden om het in artikel 10, lid 1, derde volzin, EVRM bedoelde systeem van vergunningen in te voeren.
362 Elke nationale maatregel die de toegang van omroeporganisaties tot radiofrequenties begrenst of beperkt, kan bijgevolg een inmenging in hun met de vrijheid van uitzending verbonden recht op mediavrijheid inhouden en valt dus binnen de werkingssfeer van artikel 11 van het Handvest.
363 In casu vormt § 48, lid 7, van de mediawet, voor zover die bepaling tot gevolg heeft dat de toegang van omroeporganisaties, in casu Klubrádió, tot radiofrequenties wordt beperkt, waardoor hen aldus de mogelijkheid wordt ontnomen hun radio-inhoud op een radiofrequentie te blijven uitzenden, een inmenging in het recht van de betrokken exploitanten op uitoefening van de vrijheid van uitzending, dat een bestanddeel is van de in artikel 11 van het Handvest neergelegde mediavrijheid.
364 Anders dan Hongarije stelt, kan het feit dat deze exploitanten hun inhoud op internet kunnen verspreiden, niet afdoen aan het bestaan van deze inmenging. Los van de vraag of de uitzending via internet een communicatiemiddel is dat gelijkwaardig is aan de uitzending via analoge frequenties, worden deze exploitanten immers belet om beproefde operationele en commerciële strategieën te volgen en moeten zij hoe dan ook hun publiek weer opbouwen.