IT 2850

Mentor heeft in beginsel recht op inzage verwerking persoonsgegevens

Rechtbank Amsterdam 20 juni 2019, IT 2850, ECLI:NL:RBAMS:2019:4418 (X tegen Cordaan) Privacyrecht. Verzoeker 1 is mentor en bewindvoerder van een persoon (verzoeker 2) aan wie sinds meer dan tien jaar zorg wordt verleend door zorginstelling Cordaan. Zij hebben gezamenlijk een verzoek gedaan aan Cordaan om volledige afschriften van de verwerkingen van persoonsgegevens op grond van de AVG. In beginsel hebben zij recht op afschriften op grond van artikel 15 AVG. Deels afgewezen voor zover het verzoek te onbepaald en/of te omvangrijk is of de gegevens niet aanwezig bij de zorginstelling (althans onvoldoende onderbouwd na betwisting zorginstelling).

4.11. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de grote hoeveelheid gegevens die Cordaan verwerkt, van [verzoekers] kan worden verwacht dat zij specificeren op welke informatie of welke verwerkingsactiviteit het verzoek betrekking heeft. [verzoekers] hebben hun verzoek ook gespecificeerd, voor het laatst bij akte van 11 april 2019. De rechtbank gaat er op basis daarvan, alsmede op basis van hetgeen tijdens de mondelinge behandelingen door [verzoekers] naar voren is gebracht, vanuit dat het verzoek zich thans nog slechts uitstrekt over de in die akte verzochte gegevens. Voor zover het verzoek van [verzoekers] zich nog zou richten op meer of andere gegevens, hebben [verzoekers] dat onvoldoende toegelicht. Hierna zal per categorie worden besproken op welke gegevens [verzoeker sub 1] thans nog aanspraak maakt en of die gegevens moeten worden verstrekt door Cordaan.

4.17. Indien [verzoekers] naar aanleiding van het overzicht meer specifieke informatie over persoonsgegevens verlangen, mag van hen worden verwacht dat zij preciseren op welke persoonsgegevens of informatie het verzoek betrekking heeft (zie 4.9). Dat hebben [verzoekers] gedaan voor zover zij verzoeken om verstrekking van de informatie-uitwisseling die betrekking heeft op de omzetting van de zorg voor [verzoeker sub 2] in januari 2012 van VG midden naar VG zwaar, op de omzetting van de zorg voor [verzoeker sub 2] in maart 2016 van H812 naar H813 en op de indicatiebesluiten 282 en 283. In zoverre is het verzoek van [verzoekers] voldoende concreet en valt, anders dan Cordaan heeft aangevoerd, niet in te zien dat het verzoek buitensporig is als bedoeld in artikel 12 lid 5 AVG. Cordaan heeft niet betwist dat deze gegevens moeten worden aangemerkt als persoonsgegevens. Ook in dit geval geldt echter dat [verzoekers] niet zonder meer recht hebben op inzage in of kopieën van de e-mails waarin deze gegevens voorkomen. De gegevens moeten in een vorm worden verstrekt die de betrokkene in staat stelt kennis te nemen van zijn gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de AVG. Voor zover daaraan kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking, mag Cordaan daarmee dan ook volstaan (zie 4.8). [verzoekers] hebben geen feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat Cordaan in dit geval afschriften van informatie-uitwisseling moet verstrekken en niet kan volstaan met een nader overzicht van de daarin van hen voorkomende persoonsgegevens. Nu [verzoekers] geen recht hebben op dergelijke afschriften en niet expliciet hebben verzocht om een nader overzicht (in tegendeel: uit de toelichting op het verzoekschrift en hetgeen naar voren is gebracht tijdens de mondelinge behandelingen, blijkt dat [verzoekers] zich uitdrukkelijk op het standpunt stellen dat zij recht hebben op volledige afschriften van alle door hen verzochte informatie), kan niet verwacht worden van Cordaan dat zij veel tijd steekt in het maken van een nader overzicht dat kennelijk niet aansluit bij het verzoek van [verzoekers] De slotsom van het voorgaande is dat dit deel van het verzoek zal worden afgewezen.