Gepubliceerd op woensdag 16 september 2026
IT 5516
Rechtbank Rotterdam ||
25 aug 2026,
Rechtbank Rotterdam 25 aug 2026,, IT 5516; ECLI:NL:RBROT:2026:11082 ([persoon A] tegen [persoon B] en [persoon C]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/na-toepassing-privacymask-geen-privacy-inbreuk-meer-door-beveiligingscamera-s

Na toepassing privacymask geen privacy-inbreuk meer door beveiligingscamera’s

Rb. Rotterdam 25 augustus 2026, IT 5516; ECLI:NL:RBROT:2026:11082 ([persoon A] tegen [persoon B] en [persoon C]). De voorzieningenrechter wijst de vordering af van een bewoonster die haar buren wilde verplichten hun beveiligingscamera’s te verplaatsen of te draaien. Als uitgangspunt geldt dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert, al kan een belangenafweging ertoe leiden dat de inbreuk niet onrechtmatig is. In deze zaak is onvoldoende komen vast te staan dat nog sprake is van een onrechtmatige privacy-inbreuk. De camera’s waren hoofdzakelijk op het eigen perceel van de buren gericht. Aanvankelijk waren ook een klein deel van de oprit en de garagedeur van eiseres zichtbaar, maar de buren hebben de instellingen aangepast met een privacymask, waardoor dat deel van het mogelijke camerabeeld wordt geblokkeerd. Eiseres had zelf inzage gehad in de camerabeelden en heeft niet weersproken dat het privacymask ervoor zorgt dat haar perceel niet meer wordt waargenomen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom voorshands dat geen sprake meer is van een inbreuk op haar privacy.

Eiseres kan volgens de voorzieningenrechter evenmin verlangen dat een deel van de camera of cameralens fysiek wordt afgeschermd, omdat daarvoor geen juridische grondslag bestaat. Ook het enkele feit dat de buren de camera-instellingen in theorie later weer kunnen wijzigen, is onvoldoende om thans onrechtmatig handelen aan te nemen. De vorderingen worden daarom afgewezen. Eiseres wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van € 1.290.

4.1.

[persoon A] baseert haar vorderingen op de stelling dat er sprake is van een (voortdurende) onrechtmatige inbreuk op haar privacy. Gelet op de aard van de vorderingen heeft zij een voldoende zwaarwegend en spoedeisend belang bij haar vorderingen.

4.2.

Als uitgangspunt geldt dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. Een belangenafweging kan ertoe leiden dat een inbreuk als niet onrechtmatig wordt beoordeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure onvoldoende vast komen te staan dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op de privacy van [persoon A].

4.3.

Uit de bij dagvaarding overgelegde foto’s en afbeeldingen (producties 3, 4, 5 en 8) blijkt dat de camera’s hoofdzakelijk zijn gericht op het perceel van [persoon B] en [persoon C]. Voor een heel beperkt deel was aanvankelijk ook een klein deel van de oprit van [persoon A] en haar garagedeur zichtbaar. [persoon B] en [persoon C] hebben vervolgens de instellingen van hun camera’s inmiddels zo aangepast dat een deel van het beeld dat de camera’s in theorie kunnen registreren via de instellingen wordt geblokkeerd (een zogenaamd privacymask). [persoon A] heeft op de zitting bevestigd dat zij in juni 2026 bij [persoon B] en [persoon C] thuis is geweest en inzage heeft gehad in de camerabeelden. [persoon A] heeft het standpunt van [persoon B] en [persoon C] dat het privacymask er voor zorgt dat de camera’s haar perceel niet meer waarnemen, niet weersproken. Er is daarmee, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, geen inbreuk (meer) op de privacy van [persoon A]. [persoon A] kan geen aanspraak maken op het fysiek afschermen van een deel van het beeld (/de cameralens). Daar is geen juridische grondslag voor.
Het gegeven dat de instellingen door [persoon B] en [persoon C] in theorie gewijzigd kunnen worden, is geen grond om alsnog onrechtmatig handelen aan te nemen.