Gepubliceerd op vrijdag 18 september 2026
IT 5523
Gerechtshof Amsterdam ||
9 mrt 2026,
Gerechtshof Amsterdam 9 mrt 2026,, IT 5523; ECLI:NL:GHAMS:2026:634 ([aandeelhouder A] tegen MVDE en [aandeelhouder B]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/onderzoeker-mag-zakelijke-informatie-uit-prive-e-mail-en-whatsapp-betrekken-bij-enqueteonderzoek

Onderzoeker mag zakelijke informatie uit privé-e-mail en WhatsApp betrekken bij enquêteonderzoek

Hof Amsterdam 9 maart 2026, IT 5523; ECLI:NL:GHAMS:2026:634 ([aandeelhouder A] tegen MVDE en [aandeelhouder B]). In de enquêteprocedure rond MVD Europe B.V. (MVDE) verzoekt [aandeelhouder B] de raadsheer-commissaris onder meer de onderzoeker te instrueren het onderzoek te beperken tot gebeurtenissen tot en met 7 maart 2024 en bepaalde correspondentie buiten het onderzoek te laten of niet integraal in het onderzoeksverslag op te nemen. De onderzoeker vraagt op haar beurt om verduidelijking van de onderzoeksperiode en toestemming om onder meer informatie uit WhatsApp-gesprekken en privé-e-mailaccounts van [aandeelhouder B] en voormalige werknemers te gebruiken. De raadsheer-commissaris overweegt dat de reikwijdte van een enquêteonderzoek wordt bepaald door het dictum van de beschikking waarbij het onderzoek is gelast, gelezen in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van MVDE ziet in beginsel op de periode vanaf 1 januari 2019 tot de mondelinge behandeling van het enquêteverzoek op 7 maart 2024. Dat betekent echter niet dat informatie over gebeurtenissen van na die datum steeds buiten beschouwing moet blijven. Latere feiten en omstandigheden mogen worden betrokken wanneer zij licht kunnen werpen op het voorwerp van het onderzoek, daarmee voldoende samenhangen of van belang zijn voor de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, bijvoorbeeld wanneer aanwijzingen bestaan dat mogelijk relevante gegevensdragers aan het zicht van de onderzoeker zijn onttrokken. Aan de onderzoeker komt bij de beoordeling van die relevantie een ruime beoordelingsmarge toe.

Het is vervolgens aan de onderzoeker om binnen deze onderzoeksgrenzen te beoordelen welke correspondentie relevant is en op welke wijze zij die in het onderzoeksverslag verwerkt. Daarbij moet zij de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit in acht nemen en zich beperken tot hetgeen noodzakelijk is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. Het beroep van [aandeelhouder B] op een afgeleid verschoningsrecht slaagt niet. Wel kan een gerechtvaardigd belang bestaan om informatie die rechtstreeks tussen MVDE of [aandeelhouder B] en een advocaat of notaris in diens hoedanigheid is uitgewisseld buiten het onderzoek te houden vanwege de vertrouwelijkheid van die communicatie. Op grond van art. 2:351 lid 1 BW mag de onderzoeker de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon raadplegen. Of zakelijke informatie op een privételefoon of privé-e-mailaccount daaronder valt, hangt af van de wijze waarop informatie binnen de rechtspersoon werd uitgewisseld. In dit geval hadden de betrokkenen ingestemd met inzage en afgifte van zakelijke gegevens op hun privételefoons en privé-e-mailaccounts. De onderzoeker mag die informatie en daarin voorkomende persoonsgegevens daarom verwerken, mits dit beperkt blijft tot hetgeen toereikend, ter zake dienend en noodzakelijk is voor het onderzoek en zij de AVG in acht neemt. Informatie die niet in het onderzoeksverslag wordt verwerkt, moet binnen twee weken na deponering daarvan worden verwijderd. Ook moet [aandeelhouder B] de door de onderzoeker gevraagde informatie verstrekken voor zover hij daarover beschikt. De verzoeken over het onderzoeksbudget en de kosten vallen buiten de bevoegdheid van de raadsheer-commissaris en worden ter verdere beslissing naar de Ondernemingskamer verwezen.

Informatie

2.13

De onderzoeker vraagt in 1.122 alsnog toestemming voor het gebruik van informatie van [aandeelhouder B] en voormalige werknemers, onder meer verkregen uit privé e-mailadressen en WhatsApp-gesprekken.

2.14

Ook op dit verzoek kan de raadsheer-commissaris slechts in algemene zin antwoorden. De onderzoeker dient te blijven binnen de grenzen van het onderzoek (zie 2.2-2.7). Daarbij is zij gerechtigd tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon (art. 2:351 lid 1 BW). Deze gegevensdragers omvatten alle documenten waarover de rechtspersoon beschikt (vgl. art. 5.4 Leidraad). Ook overigens moeten gegevensdragers van de rechtspersoon ruim worden begrepen. Op voorhand kan niet worden geoordeeld dat een privételefoon of op een privé e-mailadres niet valt onder gegevensdragers waarover de rechtspersoon beschikt. Het antwoord op de vraag of privé-apparaten moeten worden gerekend tot gegevensdragers van de rechtspersoon hangt af van de wijze waarop informatie binnen de rechtspersoon werd uitgewisseld.

2.15

Dat laat onverlet dat de onderzoeker bij haar onderzoek de grenzen van de AVG niet mag overschrijden. De raadsheer-commissaris verwijst in dit verband naar art. 5.7 Leidraad. De onderzoeker heeft hierop acht geslagen, onder meer door art. 5.7 Leidraad voor de doeleinden van het onderzoek uit te werken in art. 6 onderzoeksprotocol. Zij heeft het onderzoeksprotocol op voorhand toegezonden aan de personen met wie zij heeft gesproken.

De raadsheer-commissaris acht in dit geval verder van belang dat de onderzoeker aan betrokkenen heeft gemaild:

‘Onderdeel van het onderzoek is ook dat ik zakelijke gegevens op privé-telefoons en privé-e-mail accounts wil kunnen doorzoeken. Aan jouw ex-werkgever, MVDE en destijds de heer [aandeelhouder B] , is aangegeven dat ik reden heb aan te nemen dat er zakelijk verkeer is geweest op de privé-mobiele telefoons en e-mail-accounts. De opties daarvoor waren (i) een integrale kopie door de forensisch IT-expert of (ii) dat ik zelf op steekwoorden doorzoek. De tweede optie is minder belastend, en heeft voor mij de voorkeur. Als ik aanleiding zie voor een forensische kopie dan kan daar later nog voor geopteerd worden. Voor inzage met betrekking tot zakelijke correspondentie geldt hetzelfde als niet willen meewerken aan een interview. Als je medewerking weigert, dan zal ik ook op dit punt aan de Ondernemingskamer om toestemming vragen. Het kan zijn dat de Ondernemingskamer mijn verzoek toewijst, maar ook kan het gebeuren dat het verzoek wordt afgewezen.’

Betrokkenen hebben vervolgens ingestemd met inzage en afgifte van data die zij via privé telefoons en privé e-mailadressen lieten verlopen. Onder die omstandigheden stond het de onderzoeker vrij informatie van die gegevensdragers te verwerken mits beperkt tot hetgeen toereikend, ter zake dienend en noodzakelijk is met het oog op het onderzoek. Overige informatie dient de onderzoeker, in zoverre in afwijking van art. 6.7 onderzoeksprotocol, te verwijderen binnen twee weken na deponering van het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer. De raadsheer-commissaris zal de onderzoeker daartoe een aanwijzing geven.