IT 3440

Onduidelijkheid over contractspartij bij online overeenkomst opgehelderd

Rechtbank Limburg 24 februari 2021, IT 3440, ECLI:NL:RBLIM:2021:1700 (Intrum tegen gedaagde) Intrum stelt dat tussen Energiedirect en gedaagde een online overeenkomst is gesloten. Energiedirect heeft op grond van deze overeenkomst energie geleverd aan het adres van gedaagde. Gedaagde stelt daartegenover dat hij woonde in een bedrijfswoning op het desbetreffende adres en dat alle aansluitingen voor de energie zich bevonden in het bedrijfspand van een BV. Volgens hem is aan deze BV de energie geleverd en is daardoor niet hij, maar de BV contractspartij. De rechtbank wijst de vorderingen van Intrum af omdat deze niet genoeg is ingegaan op de verweren van gedaagde.

3.3. Het uitgangspunt voor de totstandkoming van een overeenkomst (ook in de elektronische variant) is dat de wil tot aanvaarding van een aanbod aanwezig is, welke wil zich door een verklaring moet hebben geopenbaard. In deze zaak is de vraag wie het aanbod van Energiedirect heeft aanvaard. Intrum stelt dat dit [gedaagde] is, maar [gedaagde] voert als verweer dat dit de B.V. is. Uit de stellingen en producties van Intrum blijkt niet welk standpunt de juiste is. Intrum is niet ingegaan op de verweren van [gedaagde] dat het opgegeven emailadres, rekeningnummer en telefoonnummer van de B.V. zijn en dat de opgegeven voorletters niet die van [gedaagde] zijn, en zij heeft ook niet aangetoond dat de handmatige betalingen inderdaad door [gedaagde] (en van zijn privérekening) zijn verricht. Het enig overblijvende aanknopingspunt voor de stelling van Intrum zou zijn dat de B.V. volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel op het moment dat de overeenkomst werd gesloten niet gevestigd was op de [adres 1] en [gedaagde] hier wel woonachtig was, maar dit is onvoldoende, reeds omdat dit, anders dan Intrum stelt, niet blijkt uit het uittreksel. Immers is op grond van het uittreksel onduidelijk of de B.V. de gehele periode van 11 maart 2016 tot 1 september 2017 in [plaats] op de [adres 2] was gevestigd of dat zij in deze periode (bijvoorbeeld ten tijde van het sluiten van de overeenkomst) wederom gevestigd is geweest op de [adres 1] . Immers is van één periode waarop de B.V. daar gevestigd was de vestigingsdatum onbekend.

3.4. Met inachtneming van het uitvoerige verweer van [gedaagde] beoordeelt de kantonrechter het door Intrum aangevoerde en aangeleverde onvoldoende, als te algemeen en niet gericht op het bewijs van de identiteit van haar wederpartij die, zoals Intrum stelt, [gedaagde] is. Gelet op de stand van de procedure en het feit dat Intrum niet (voldoende specifiek) bewijs heeft aangeboden van haar stelling dat [gedaagde] de contractspartij is, zal Intrum niet meer worden toegelaten tot het leveren van nader bewijs en zal haar vordering worden afgewezen.