IT 3532

Online proctoring UvA ook in hoger beroep toegestaan

Hof Amsterdam 1 juni 2021, IT 3532; ECLI:NL:GHAMS:2021:1560 (CSR c.s. tegen UvA) Het gebruik van Proctorio - een online proctoring systeem waarmee op afstand gesurveilleerd kan worden gedurende het maken van een tentamen - is ook in hoger beroep niet onrechtmatig bevonden. Hiermee bevestigt het hof de uitspraak van de voorzieningenrechter in eerste aanleg [IT 3167]. Ook hebben de studentenraden geen instemmingsrecht wat betreft een wijziging van de onderwijs- en examenregeling, omdat deze niet gewijzigd hoeft te worden. De huidige pandemie kan volgens het hof worden aangemerkt als een "bijzonder geval" waarin "de examencommissie anders kan bepalen". Verder oordeelt het hof, dat proctoring weliswaar inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer, maar dat aan de voorwaarden voor een uitzondering op die inbreuk is voldaan.

3.4.1 CSR c.s. voeren in hoger beroep als grondslag van hun vordering tevens aan dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 8 EVRM. Niet in geschil is dat met de inzet van Proctorio inbreuk wordt gemaakt op het in lid 1 van dit artikel gewaarborgde recht op privéleven. Vraag is wel of is voldaan aan de voorwaarden voor het maken van een inbreuk die zijn geformuleerd in lid 2 van dit artikel. Het hof concludeert dat aan die voorwaarden is voldaan op grond van het volgende.

3.4.2 De WHW geeft aan UvA de opdracht opleidingen aan te bieden en te examineren. Als onderdeel daarvan geeft artikel 9 lid 1 WHW aan het bestuur van UvA de bevoegdheid om een onderwijs- en examenregeling vast te stellen. Daarbij wordt de wijze van examineren geregeld en bovendien, zoals eerder overwogen, is de examencommissie bevoegd in bijzondere gevallen de examens op andere wijze in te richten. Dat betekent dat het tentamineren en de bevoegdheid tot het regelen van de wijze waarop dat gebeurt bij wet is voorzien. Uit de feiten en omstandigheden die hiervoor reeds in het kader van de toetsing aan de AVG zijn besproken en als aannemelijk zijn aangemerkt, is af te leiden dat de inbreuk mede in verband met de Covid-19-maatregelen in een democratische samenleving noodzakelijk is voor de voortgang van het (ook economisch relevante) hoger onderwijs. De inbreuk is aan de hand van die feiten en omstandigheden ook proportioneel te achten.