IT 3945

Ontbinding bij overeenkomsten ICT-diensten gemeenten

Vzr. hof Den Haag 26 april 2022, IT 3945; ECLI:NL:GHDHA:2022:832 (Atos tegen VNG) Atos heeft de aanbesteding gewonnen van het aanbieden van ICT-diensten aan de VNG. De VNG behelst een vereniging van Nederlandse gemeenten en deze zijn ontevreden over de invulling die hieraan wordt gegeven door Atos. Hierom vordert de VNG ontbinding van de overeenkomst. Atos vordert daarentegen nakoming van de verbintenissen die voortvloeien uit de gesloten contracten. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank inhoudende dat de vorderingen van Atos, tot nakoming van de gesloten overeenkomsten, moeten worden afgewezen. In hoger beroep heeft Atos volgens het hof simpelweg geen belang meer bij de voorzieningen die zij in eerste aanleg heeft gevorderd. In het bijzonder dient hierbij rekening te worden gehouden met de belangenafweging tussen partijen, gezien al 283 van de 285 gemeenten de overeenkomst tussen hen en Atos heeft ontbonden.

6.3 Daarmee resteert ter beoordeling de voorlopige voorziening zoals in eerste aanleg gevorderd, dus met weglating van hetgeen daaraan in hoger beroep ter vermeerdering is toegevoegd. Naar het oordeel van het hof heeft Atos op dit moment bij die (resterende) voorziening geen (spoedeisend) belang meer. Als er al redenen zouden zijn om VNG c.s. overeenkomstig het door Atos gevorderde te veroordelen tot nakoming van de Raamovereenkomst en de Nadere Overeenkomsten en hen te verbieden die overeenkomsten (nog langer) op te schorten zou dat immers meebrengen dat ook Atos haar verplichtingen uit die overeenkomsten weer dient na te komen. Dat kan zij niet meer, althans niet binnen de daarvoor resterende termijn, die immers al op 13 april 2023 verstrijkt. En blijkens haar toelichting op de in hoger beroep gewijzigde eis wíl Atos dat ook niet, omdat haar in dat geval te weinig tijd resteert om haar investeringen dan nog terug te verdienen. De door Atos voorgedragen grieven 1 tot en met 7, die gericht zijn op vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van het gevorderde, behoeven dus reeds wegens gebrek aan (spoedeisend) belang van Atos bij hetgeen in hoger beroep van haar vordering overblijft geen bespreking.

6.4 Daarnaast verzet ook een belangenafweging zich tegen toewijzing van de vorderingen. Zoals hiervoor vermeld, hebben 283 van de oorspronkelijk 285 Deelnemers hun overeenkomsten met Atos ontbonden. De overige twee Deelnemers, de gemeenten Rotterdam en Tilburg, zijn niet in dit hoger beroep betrokken. Van de elf Deelnemers die in december 2020 naar het platform van Atos waren gemigreerd, hebben er tien de overeenkomst met Atos ontbonden, en aanstalten gemaakt om het platform van Atos feitelijk te verlaten. Voor het leeuwendeel van de Deelnemers geldt dat zij inmiddels een alternatief voor de door Atos te leveren diensten hebben georganiseerd. Toewijzing van de vorderingen van Atos zou betekenen dat al deze partijen dat alternatief (weer) op zouden moeten geven om naar het platform van Atos (terug) te migreren. Toewijzing van de vorderingen van Atos zou dus ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de Deelnemers, die nadelig voor hen en voor hun dienstverlening aan de burgers zouden kunnen uitwerken, zeker als Atos niet in staat zou blijken om (tijdig) in de behoeften van de Deelnemers te voorzien. Dat laatste valt geenszins uit te sluiten, gezien het feit dat Atos na ruim anderhalf jaar slechts een zeer klein aantal Deelnemers heeft weten te migreren. Atos stelt hier tegenover dat zij tientallen miljoenen euro’s heeft geïnvesteerd om GT Connect aan te laten sluiten bij de wensen van VNG c.s. en dat zij die investeringen nu niet kan terugverdienen. Atos lijdt dus voornamelijk financiële schade, waarvan zij vergoeding kan vorderen als zij in de aanhangige bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld. Het belang van Atos bij het terugverdienen van haar investering weegt daarom niet op tegen de belangen van VNG c.s. bij continuïteit van de dienstverlening.