IT 2733

Opzegregeling overeenkomst bouwsoftware is niet van toepassing op onderliggende licenties

Rechtbank Midden-Nederland 29 maart 2019 (Kraan tegen BAM). Eiser is Kraan Bouwcomputing, een bedrijf gespecialiseerd in bouwsoftware. Verweerder is BAM, een bouwbedrijf. Partijen hebben een raamovereenkomst gesloten genaamd Total Service Overeenkomst (TSO), op grond waarvan aan BAM het gebruiksrecht is verleend op door Kraan ontwikkelde software, inclusief onderhoud en ondersteuning. In de bijlage bij de TSO zijn de diverse softwaremodules en het aantal licenties geregeld. Er ontstaat een geschil over de uitleg van een licentieovereenkomst, waarbij Kraan stelt dat de opzegregeling uit de TSO ook van toepassing is bij het opzeggen van een aantal licenties. De opzegregeling van de TSO is niet eveneens van toepassing is op het op- en afschalen van de diverse, onderliggende licentieovereenkomsten. De vorderingen worden afgewezen.

4.3. De vraag die partijen verdeeld houdt is of het op- en afschalen van licenties onderworpen is aan de in artikel 5.2 van de TSO vermelde opzegtermijn. De rechtbank overweegt daartoe allereerst als volgt. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers volgens vaste jurisprudentie (het Haviltex-arrest) aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.  

4.4. De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst (en de volgorde) van de bepalingen uit de TSO kan worden afgeleid dat partijen bedoeld hebben af te spreken een opzegtermijn te hanteren bij het opzeggen van de TSO als geheel. Daartoe is het volgende redengevend. Artikel 5 van de TSO is getiteld “Duur van de overeenkomst”. Artikel 5.1 regelt de  ingangsdatum en duur van de overeenkomst (3 jaar) en artikel 5.2 de wijze waarop deze wordt verlengd behoudens opzegging, (uiterlijk 6 maanden vóór de afloop van de overeenkomst schriftelijk per aangetekende brief). In artikel 5.3 is vervolgens geregeld welke handelingen na beëindiging dienen te worden verricht (retournering apparatuur). Uit deze bepalingen in onderlinge samenhang bezien volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze zien op de TSO als geheel. Dat de opzegtermijn van artikel 5.2 eveneens ziet op het op- en afschalen van licenties zoals Kraan stelt, valt uit de tekst van de bepalingen niet af te leiden. Daar waar in artikel 5 van de TSO in het geheel niet wordt gesproken over licenties is dit in artikel 6 van de TSO getiteld “Gebruiksrechtvergoeding” anders.  In artikel 6.2 van de TSO wordt expliciet ingegaan op de situatie bij wijziging van gebruiksrechten (de vergoeding ligt de eerste 3 jaar vast). Dit duidt er dan ook op dat partijen niet hebben bedoeld een wijziging in het aantal licenties aan een opzegtermijn te onderwerpen. Het bepaalde in artikel 12.2 van de TSO maakt het voorgaande niet anders. Immers, daaruit kan niet worden afgeleid dat de opzegregeling van de TSO als zodanig eveneens van toepassing is op de diverse, onderliggende, licentieovereenkomsten. Ook voor het overige zijn door Kraan onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat een opzegtermijn van toepassing was bij wijziging in het aantal licenties. Nu Bam niet gebonden was aan een opzegtermijn bij het op- en afschalen van het aantal licenties is het gebruiksrecht voor 65 licenties geëindigd per 1 juli 2017 en is zij vanaf die datum daarover geen gebruiksvergoeding verschuldigd aan Kraan. De rechtbank wijst de vordering van Kraan op dit punt dan ook af.  
 
4.5. Kraan heeft aanvankelijk ook de gebruiksvergoeding over de niet afgeschaalde 100 licenties gevorderd van Bam, die zij onbetaald had gelaten. Vast staat dat Bam alsnog (na dagvaarding) de vergoeding voor deze licenties heeft voldaan, zijnde een totaalbedrag van  € 109.328,04. Bam heeft dit bedrag eerst in mindering gebracht op de door haar gevorderde contractuele rente en vervolgens op de (oudste) openstaande facturen. Nu hiervoor, onder 4.4, is geoordeeld dat Bam de vergoeding voor 65 licenties niet hoeft te betalen na 1 juli 2017, is naar het oordeel van de rechtbank met de berekeningen van Kraan onduidelijk of en zo ja welk bedrag thans resteert. Ook partijen lijken deze mening te zijn toegedaan nu Kraan zich kan vinden in het verzoek van Bam eerst een tussenvonnis te wijzen ten aanzien van het gevorderde onder I, waarna partijen zich bij akte opnieuw uitlaten over het definitief door Bam verschuldigde bedrag. De rechtbank wijst dit verzoek van partijen af. Het is aan Kraan om haar vordering in deze procedure deugdelijk te onderbouwen. Kraan is daartoe ook ná de comparitie in de gelegenheid gesteld maar heeft nagelaten haar vordering voldoende te specificeren. In deze procedure kan daarom niet worden vastgesteld welk bedrag Bam thans nog verschuldigd is aan Kraan.