Gepubliceerd op maandag 17 augustus 2026
IT 5444
Rechtbank Den Haag ||
3 jun 2026,
Rechtbank Den Haag 3 jun 2026,, IT 5444; ECLI:NL:RBDHA:2026:15375 ([eiseres] tegen Ohra), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/opzettelijke-misleiding-bij-letselschadeclaim-rechtvaardigt-registratie-in-waarschuwingsregisters

Opzettelijke misleiding bij letselschadeclaim rechtvaardigt registratie in waarschuwingsregisters

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IT 5444; LS&R 2440; ECLI:NL:RBDHA:2026:15375 ([eiseres] tegen Ohra). In deze zaak vordert [eiseres] onder meer aanvullende schadevergoeding naar aanleiding van een verkeersongeval in 2019 en verwijdering van haar persoonsgegevens uit het Incidentenregister, het Extern Verwijzingsregister (EVR), de Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR). Ohra, onderdeel van Nationale-Nederlanden, had aansprakelijkheid voor het ongeval erkend en € 10.000 aan voorschotten betaald, maar ontdekte later dat [eiseres] een eerder verkeersongeval uit 2016 en de daaruit voortvloeiende, grotendeels vergelijkbare nek-, rug-, hoofd- en concentratieklachten niet had gemeld. Voor dat eerdere ongeval had zij in 2019 met een andere verzekeraar een vaststellingsovereenkomst van € 36.000 gesloten. Ohra kwalificeerde het achterhouden van deze medische voorgeschiedenis als fraude, beëindigde de schadeafwikkeling en registreerde [eiseres] in de genoemde waarschuwingsregisters.

De rechtbank oordeelt dat [eiseres] Ohra opzettelijk heeft misleid door welbewust relevante informatie over het eerdere ongeval en haar vergelijkbare klachten achter te houden met het oogmerk een hogere schade-uitkering te verkrijgen. Daarbij weegt mee dat [eiseres] zelf als letselschadebelangenbehartiger werkzaam was en daarom moest begrijpen dat haar medische voorgeschiedenis essentieel was voor de beoordeling van het causaal verband en de omvang van de schade. De registratie in het Incidentenregister en het EVR voldoet aan de eisen van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI): de opzettelijke misleiding vormt een voldoende vaststaande gedraging die de integriteit van de financiële sector raakt en de registratie is, gelet op de ernst daarvan, proportioneel. Ook de interne registraties in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR zijn gerechtvaardigd. De gevorderde aanvullende schadevergoeding en buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd welke schade specifiek aan het ongeval van 2019 is toe te rekenen. In reconventie wordt € 532 aan onderzoekskosten toegewezen, maar de door Ohra gevorderde terugbetaling van € 4.650 aan voorschotten afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat deze onverschuldigd zijn betaald.

4.16. [eiseres] stelt dat voldoende duidelijk is dat zij tenminste € 26.513,50 aan schade heeft geleden, waarvoor zij een voorschot van € 10.000 heeft ontvangen. Dit is door NN gemotiveerd betwist. [eiseres] wijst ter onderbouwing op de schadestaat die zij heeft opgesteld en waarin over vier tijdvakken tussen 17 september 2019 tot en met 21 mei 2023 bedragen zijn opgenomen voor huishoudelijke hulp, medische kosten en zelfwerkzaamheid/tuinonderhoud. Diezelfde posten zijn opgevoerd in een schadestaat die ziet op de gevolgen van het ongeluk van 2016 en in de schadestaat die ziet op de gevolgen van het ongeluk dat [eiseres] overkwam in 2022. Daarbij heeft [eiseres] niet duidelijk gemaakt dat het gaat om verschillende, na elkaar of naast elkaar, bestaande schadeposten die telkens maar op één ongeval zijn terug te voeren. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat [eiseres] door het ongeval in 2019 de door haar gestelde schade heeft geleden. Het is immers niet voldoende duidelijk dat (een deel van) de kosten die [eiseres] heeft geclaimd na het ongeval van 2019, niet (mede) het gevolg waren van het ongeval in 2016. Eenzelfde redenering gaat op voor de kosten die [eiseres] heeft geclaimd naar aanleiding van de ongevallen waar zij ná 2019 bij betrokken is geraakt. Ook voor die ongevallen heeft [eiseres] kosten geclaimd die – mogelijk – (mede) het gevolg waren van het ongeval van 2016 en/of 2019. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat het door [eiseres] gevorderde bedrag (uitsluitend) betrekking heeft op schade veroorzaakt door het ongeval van 2019. Daarom wordt haar vordering afgewezen. 

4.25. Dat betekent dat ook als, zoals NN stelt, ASR en [eiseres] in 2018 als uitgangspunt namen dat bepaalde kostenposten voor nog vijf jaar zouden worden vergoed, dat niet betekent dat [eiseres] dezelfde of vergelijkbare posten niet kon opvoeren als schade veroorzaakt door het ongeval van 2019 omdat die al waren vergoed. Als [eiseres] kan aantonen dat zij ten tijde van het ongeval van 2019 dergelijke kosten niet maakte en vanwegedat ongeval wel (weer), dan staat het feit dat zij al door ASR betaald werd er op zich niet aan in de weg dat zij jegens NN aanspraak maakt op vergoeding. Bij de door NN te vergoeden schade komt het immers aan op een vergelijking van de situatie met het ongeval – en de daaruit voortvloeiende beperkingen en de financiële gevolgen van dien – en de hypothetische situatie zonder het ongeval. Die hypothetische situatie kan zijn: met geld van ASR maar zonder noemenswaardige beperkingen. Het is dan wel aan [eiseres] om dat goed te onderbouwen, zodat kan worden aangenomen dat daadwerkelijk sprake is van nieuwe en/of andere beperkingen. In conventie is al overwogen dat [eiseres] dat niet heeft gedaan en dat daarom niet kan worden vastgesteld dat zij door het ongeval van 2019 meer dan het al betaalde bedrag van € 10.000 aan schade heeft geleden Tegelijkertijd kan niet worden gezegd dat van het voorschot van € 10.000 een deel onverschuldigd is betaald. Het is namelijk evenmin voldoende duidelijk dat het bedrag van € 4.650 (volledig) ziet op schade die is veroorzaakt door het ongeval van 2016. De vordering van NN wordt daarom afgewezen.