IT 3496

Prejudiciële vragen over wijziging BKR-registratie

Vzr. Rechtbank Amsterdam 21 januari 2021, IEF 19921, IT 3496; ECLI:NL:RBAMS:2021:174 (Eiser tegen Hoist Finance) Eiser heeft op enig moment een krediet afgesloten bij (een rechtsvoorganger van) Hoist Finance. Vanwege een daarop ontstane betalingsachterstand heeft Hoist Finance op 5 juli 2006 het krediet opgeëist en is er een BKR-registratie van eiser gemaakt. Later is eiser een betalingsregeling overeengekomen met een incassobureau dat dit ten behoeve van Hoist Finance deed. Op een gegeven moment lost eiser de vordering af en verzoekt hij aan Hoist Finance om de BKR-registratie te laten verwijderen. Eerst zegt zij dit toe, maar vervolgens weigert zij dit te doen. Eiser vordert van de voorzieningenrechter dat zij Hoist Finance beveelt om de BKR-registratie te wijzigen. De voorzieningenrechter haalt enige arresten van gerechtshoven aan om te bepalen hoe zij in deze zaak tot een oordeel moet komen, maar hieruit kan zij geen eenduidige lijn trekken. Zij besluit daarom over te gaan tot het stellen van een aantal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

5.1. De voorzieningenrechter stelt de Hoge Raad de volgende vragen:

1. Moet de verwerking van concrete persoonsgegevens door een kredietinstelling, door middel van een individuele registratie in het systeem van de BKR, worden getoetst aan het bepaalde in artikel 6 lid 1, aanhef en onder c, AVG, of aan artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG, of aan beide bepalingen?

2. Betekent het antwoord op vraag 1

a. dat aan degene van wie de persoonsgegevens zijn geregistreerd, geen beroep toekomt op het recht van gegevenswissing als bedoeld in artikel 17 AVG?

b. dat aan diegene geen recht van bezwaar toekomt als bedoeld in artikel 21 AVG?

3. Indien het antwoord op vraag 2.b. meebrengt dat bij een BKR-registratie geen recht op bezwaar als bedoeld in artikel 21 AVG bestaat, leidt dat er dan toe dat artikel 35 UAVG in de gerechtelijke procedure tot verwijdering van die registratie geen rol speelt?