IT 3621

Prejudiciële vragen reeds in het YouTube/Cyando-arrest beantwoord

HR Conclusie P-G 6 juli 2021, IEF 20139, IT 3621; ECLI:NL:PHR:2021:690 (Stichting Brein tegen NSE)  Het gaat in deze zaak om de vraag of de gestelde prejudiciële vragen al beantwoord zijn in het YouTube/Cyando-arrest [IEF 20039]. News-Service Europe (NSE) is, net als Cyando, een deelplatform voor (onder meer) bestanden waarop gebruikers op illegale wijze beschermde content beschikbaar konden stellen aan het publiek. Ook hier is de vraag of er sprake is van een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3 lid 1 van de Auteursrichtlijn. Dit is volgens het Hof van Justitie alleen het geval, wanneer de exploitant ertoe bijdraagt dat het publiek toegang tot die content in strijd met het auteursrecht wordt gegeven. De P-G is van mening dat de prejudiciële vragen kunnen worden ingetrokken, omdat deze inderdaad reeds beantwoord zijn in het YouTube/Cyando-arrest. Volgens de P-G blijkt uit die beantwoording onder andere, dat artikel 14 lid 1 van de Richtlijn inzake elektronische handel onverlet laat dat de nationale rechter de exploitant van een deelplatform voor bestanden kan verbieden om een auteursrechtinbreuk voort te zetten, dan wel hem kan bevelen om die inbreuk te staken en gestaakt te houden.

1.17 Naar het oordeel van het HvJ EU doet art. 14 lid 1 van de Richtlijn inzake elektronische handel geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties om van de betrokken dienstverlener te eisen dat hij een inbreuk beëindigt of voorkomt, onder meer door de onwettige informatie (illegale content) te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken:

“131 Uit artikel 14, lid 3, van de richtlijn inzake elektronische handel, gelezen in het licht van overweging 45 ervan, blijkt immers dat de in artikel 14, lid 1, voorziene vrijstelling van aansprakelijkheid geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor nationale rechterlijke instanties of administratieve autoriteiten om van de betrokken dienstverlener te eisen dat hij een inbreuk beëindigt of voorkomt, onder meer door de onwettige informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Hieruit volgt dat tegen een dienstverlener een op grond van het nationale recht van een lidstaat gegeven bevel kan worden uitgevaardigd, zelfs indien hij voldoet aan een van de in artikel 14, lid 1, van die richtlijn geformuleerde alternatieve voorwaarden, en dus zelfs wanneer hij niet aansprakelijk wordt geacht (arrest van 3 oktober 2019, Glawischnig-Piesczek, C-18/18, EU:C:2019:821, punten 24 en 25).”

1.19 Verder verdient opmerking dat met het arrest in de zaken YouTube en Cyando niet in algemene zin is uitgekristalliseerd in welke gevallen een bevel kan worden opgelegd dat meer omvat dan hetgeen is vermeld in art. 14 lid 3 van de Richtlijn inzake elektronische handel en wanneer zo’n bevel in strijd komt met art. 15 lid 1 van die Richtlijn. Dit lijkt mij voor de beslissing van onze zaak echter ook niet noodzakelijk, omdat het enige bevel dat Brein hier vordert ertoe strekt de inbreuk te staken en gestaakt te houden.