IT 2729

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU: Is een schriftelijke overeenkomst betreffende de terbeschikkingstelling van software tussen twee overheidsorganen, waaraan een samenwerkingsovereenkomst is verbonden, een "overheidsopdracht"?

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU 14 februari 2019, IT 2729; IEF 2855; C-796/18 (Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung) via MinBuza: De stad Keulen is in 2016 op zoek gegaan naar nieuwe software voor het meldkamersysteem van haar beroepsbrandweer. Zij keek hiervoor onder andere naar de door de deelstaat Berlijn gebruikte software IGNIS Plus van Sopra Steria Consulting GmbH (hierna: “SSC”). De overeenkomst tussen Berlijn en SCC laat toe dat Berlijn de software IGNIS Plus kosteloos doorgeeft aan andere overheidsinstanties met veiligheidstaken (hierna: “BOS”). De stad Keulen en de deelstaat Berlijn sluiten overeenkomsten betreffende een kosteloze langdurige terbeschikkingstelling en gebruik van de software IGNIS Plus. Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung (ISE), dat voor BOS software ontwikkelt en te koop aanbiedt, vordert nietigverklaring van de overeenkomsten. Zij stelt dat de overeenkomsten tussen de stad Keulen en de deelstaat Berlijn, die een juridische eenheid vormen, zijn onderworpen aan het aanbestedingsrecht en dat de verwerving daarom Europabreed diende te worden aanbesteed.

Prejudiciële vragen C-796/18:

1. Is een schriftelijke overeenkomst betreffende de terbeschikkingstelling van software door het ene overheidsorgaan aan het andere overheidsorgaan, waaraan een samenwerkingsovereenkomst is verbonden, een „overheidsopdracht” als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 5, van richtlijn 2014/24/EU, respectievelijk een – in ieder geval vooralsnog, behoudens het bepaalde in artikel 12, lid 4, onder a) tot en met c) – binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallende overeenkomst als bedoeld in artikel 12, lid 4, van de richtlijn, wanneer de ontvanger van de software hiervoor weliswaar een prijs noch een vergoeding van de kosten hoeft te betalen, maar de met de terbeschikkingstelling van de software verbonden samenwerkingsovereenkomst erin voorziet dat iedere samenwerkingspartner – en dus ook de ontvanger van de software – mogelijke toekomstige, echter niet verplichte eigen doorontwikkelingen van de software kosteloos aan de andere partner ter beschikking stelt?

(Ingeval van bevestigend antwoord van vraag 1, wordt toegekomen aan de volgende vragen)

2. Moeten op grond van artikel 12, lid 4, onder a), van richtlijn 2014/24/EU de aan de burger te verlenen openbare diensten [Or. 3], die gezamenlijk moeten worden verleend, zelf voorwerp van de samenwerking van de deelnemende aanbestedende diensten zijn, of is het voldoende dat de samenwerking betrekking heeft op werkzaamheden die in dezelfde mate, maar niet verplicht gezamenlijk in een of andere vorm voor de te verlenen openbare diensten worden uitgevoerd?

3. Geldt binnen het kader van artikel 12, lid 4, van de richtlijn 2014/24/EU een ongeschreven zogenoemd verbod op bevoordeling en, zo ja, wat houdt dit in?