12 nov 2025
Prejudiciële vragen gesteld over een digitaal klachtenboek
Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 12 november 2025, RB 3998; IT 5182; C-720/25 (IO, Associação Ius Omnibus tegen Contextlogic B.V.) via MinBuza. Verweerster is ‘Contextlogic B.V.’, een vennootschap met statutaire zetel in Nederland, ingeschreven in het Portugese handelsregister. Verzoekende partij is een gekwalificeerde betalingsinstelling die stelt dat verweerster niet voldoet aan de verplichting om Portugese consumenten een digitaal klachtenboek ter beschikking te stellen. Het is de vraag of de diensten die verweerster verleent vallen onder ‘diensten van een informatiemaatschappij’. Daarnaast is het de vraag of de Portugese regels, indien zij gelden voor dienstverleners die geen statutaire zetel of vestiging in Portugal hebben, verenigbaar zijn met richtlijn 2000/31 (beginsel van controle aan de bron van diensten van de informatiemaatschappij).
Prejudiciële vragen:
1. Moet artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/[31]/EG van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met artikel 1, onder b), van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015, betreffende het begrip „diensten van de informatiemaatschappij”, aldus worden uitgelegd dat het de door verweerster verleende diensten omvat, zoals deze door haarzelf in haar verweerschrift worden omschreven?
2. Verzet artikel 3, lid 1 van richtlijn 2000/[31]/EG van het Europees Parlement en de Raad – waarin het beginsel van controle aan de bron van diensten van de informatiemaatschappij is vastgelegd – zich tegen een nationale regeling zoals die van [artikel] 2, lid 2, en [artikel] 5-B, lid 1, van wetsbesluit nr. 156/2005 van 15 september, zoals gewijzigd bij wetsbesluit nr. 74/2017 van 21 juni, indien deze regeling aldus wordt uitgelegd dat alle dienstverleners verplicht zijn om een digitaal klachtenboek ter beschikking te stellen, ook als zij geen statutaire zetel of daadwerkelijke vestiging in Portugal hebben?
3. Moet artikel 3, lid 3 van richtlijn 2000/[31]/EG van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met de bijlage daarbij, meer bepaald het gedeelte daarvan waarin is bepaald dat lid 1 van artikel 3 niet van toepassing is op „contractuele verplichtingen betreffende consumentenovereenkomsten”, aldus worden uitgelegd dat de daarin vastgestelde uitzondering ook verplichtingen omvat zoals die welke zijn neergelegd in [artikel] 2, lid 2, en [artikel] 5-B, lid 1, van wetsbesluit nr. 156/2005 van 15 september, zoals gewijzigd bij wetsbesluit nr. 74/2017 van 21 juni?