IT 3074

Privacy schending door buren wordt onvoldoende aangetoond

Hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2020, IT 3074; ECLI:NL:GHARL:2020:2143 (Privacy tussen buren) Appellant en geïntimeerden zijn buren. Tussen de achtertuinen van partijen staat een schutting. Beide partijen hebben of hadden een of meer beveiligingscamera’s aan/in hun woning geplaatst. Appellant vorderde onder andere voor hoger beroep van belang veroordeling van geïntimeerden om aan te tonen dat hun camera het perceel van appellant niet in beeld brengt en (voorwaardelijk) een LED-lamp zo aan te passen dat die geen licht meer in de tuin van appellant schijnt. Geïntimeerden vorderden onder andere voor hoger beroep van belang veroordeling van appellant om de begroeiing te verwijderen van de schutting in de achtertuin en aan te tonen dat zijn camera het perceel van geïntimeerden niet in beeld brengt.

De kantonrechter heeft de vordering tot verwijdering van de klimop toegewezen, omdat er sprake is van ontoelaatbare hinder voor geïntimeerden die slechts kan worden weggenomen door verwijdering van de klimop. Er wordt geoordeeld dat deze feitelijke constatering voldoende gegrond is, waardoor de grief hierop faalt. Ten aanzien van de camera’s heeft de kantonrechter overwogen dat concrete aanwijzingen dat daadwerkelijk door de ene en/of de andere partij opnames van erf of woning zijn gemaakt ontbreken en daarom de vordering van appellant afgewezen. Deze lijn wordt doorgetrokken in hoger beroep. Appellant heeft onvoldoende aangetoond dat er sprake is van privacy schending. Tot slot, aangezien de situatie van de LED-lampen reeds zijn gewijzigd zodat ze niet meer in de tuin van appellant zou schijnen, wordt deze vordering ook afgewezen.

5.3. […] Tegen deze feitelijke constateringen van de kantonrechter waaruit blijkt dat er sprake is van ontoelaatbare hinder voor [geïntimeerden] c.s. die slechts kan worden weggenomen door verwijdering van de klimop ook aan de zijde van [appellant] zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die feitelijke constatering uit zal gaan. Deze feitelijke constatering is voldoende grond voor toewijzing van de vordering tot verwijdering van de klimop ook aan de zijde van [appellant] . [appellant] voert nog aan dat hij als eigenaar bevoegd is om boven zijn eigen perceel en tegen zijn zijde van een mandelige schutting klimop te laten groeien. Daarbij miskent hij echter hetgeen de  kantonrechter hiervoor heeft vastgesteld. Het had op de weg van [appellant] gelegen om in het licht van de duidelijke constatering door de kantonrechter te motiveren dat handhaving van de klimop aan zijn zijde niet leidt tot onrechtmatige hinder voor [geïntimeerden] c.s.. Dat heeft [appellant] nagelaten. Ook de betwisting dat de schutting zou lijden onder de klimop is niet onderbouwd in het licht van de andersluidende constatering van de kantonrechter. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Grief 1 faalt derhalve.

5.6. In het licht van de feitelijke constatering van de kantonrechter dat concrete aanwijzingen ontbreken dat daadwerkelijk door de ene en/of andere partij opnames van erf of woning zijn gemaakt had het op de weg van [appellant] gelegen om toe te lichten dat wel sprake is van concrete aanwijzingen dat sprake is van een privacy schending. [appellant] verwijst weliswaar naar de inleidende dagvaarding waarin hij stelt dat [geïntimeerden] c.s. een camera in zuidoostelijke richting van zijn woning heeft opgehangen en dat die camera schuin naar voren van de woning van [geïntimeerden] c.s. is afgericht en dat [appellant] derhalve vermoedt dat ook een deel van zijn tuin in beeld is, maar hij stelt slechts in hoger beroep dat die camera vooraf aan de descente is verdraaid (kennelijk zo dat die camera tijdens de descente niet gericht was op het perceel van [appellant] ). Over de positie van die camera ten tijde van het hoger beroep geeft [appellant] geen enkele uitsluitsel. Hij merkt nog op dat [geïntimeerden] c.s. twee camera’s weer meer richting het perceel van [appellant] heeft gedraaid, maar enige onderbouwing van die stelling (met foto’s of nadere informatie over het zichtveld van die camera’s wordt niet gegeven). Dat wil zeggen dat [appellant] onvoldoende feitelijk onderbouwt dat ten tijde van het instellen van het hoger beroep zijn perceel met die camera’s gefilmd werd. De grief faalt.

5.8. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. Daartegen grieft [appellant] . Het hof overweegt als volgt. De instellingen van de buitenlamp van [geïntimeerden] c.s. zijn gewijzigd naar aanleiding van een klacht van [appellant] . [appellant] stelt echter dat – als de vordering tot verwijdering van de klimop zou worden toegewezen – er desondanks onrechtmatige hinder zal optreden. [appellant] stelt dat zijn tuin steeds “fel verlicht” wordt als de sensor van de lamp beweging waarneemt. “Zeker op een late zomeravond is dat buitengewoon hinderlijk als de kinderen en [appellant] nog buiten zijn”. De stellingen dat als de vordering tot verwijdering van de klimop wordt toegewezen er onrechtmatige hinder van de lamp zal optreden acht het hof te speculatief. Indien dat zou leiden tot snellere activering van de sensor of felle verlichting in de tuin van [appellant] dienen partijen daarover in overleg te treden en te bezien of een aanpassing van de instellingen, zoals al eerder heeft plaatsgevonden, mogelijk is. Kortom thans is onvoldoende onderbouwd dat het hier om hinder gaat die zo ernstig is dat het onrechtmatig is en verboden kan worden. Aan bewijslevering op dit punt komt het hof daarom niet toe. De vordering is daarom terecht afgewezen en de grief daartegen faalt.