IT 2744

Recht op immateriële schadevergoeding vanwege SDU-publicatie van persoonsgegevens in arrest

Hof Den Haag 28 november 2017, ITR 2744; ECLI:NL:GHDHA:2017:4274 (X tegen SDU) Handelen in strijd met Wbp (oud), immateriële schade. Appellant X is als bestuurder van een auto betrokken geweest bij een aanrijding met een andere auto. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 1 juli 2014 arrest gewezen. SDU heeft dit arrest gepubliceerd in haar tijdschrift JBPr met een op haar verzoek gemaakte noot. In de uitgave worden persoonlijke gegevens van appellant genoemd zoals naam, woonplaats, geboortedatum en beroep. SDU heeft met het geautomatiseerd verwerken van de persoonsgegevens van appellant en de ongeanonimiseerde publicatie daarvan in strijd gehandeld met artikel 8 suf f Wbp en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van appellant geschonden. Appellant heeft recht op toekenning van immateriële schadevergoeding. Een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW.

19. Het hof is van oordeel dat SDU in dit geval na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot ongeanonimiseerde publicatie van het arrest en de noot had mogen overgaan. Door de ongeanomimiseerde publicatie van het arrest en de noot, waarin onder meer is vermeld dat [appellant] door een auto ongeval letsel heeft opgelopen en in verband met verlies aan verdienvermogen een schadevergoeding heeft ontvangen is inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] . [appellant] heeft terecht aangevoerd dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en (met name) subsidiariteit. Het met de gegevensverwerking en publicatie te dienen doel had in redelijkheid op een andere voor [appellant] minder nadelige wijze kunnen worden verwezenlijkt door de naam en woonplaats van [appellant] en de vestigingsplaats van zijn praktijk in neutrale termen te veranderen. De door SDU aangevoerde gronden die tot een andere uitkomst van de belangenafweging zouden moeten leiden gaan niet op. Het hof overweegt daartoe als volgt.

21. Ratio van de verplichting om in het openbaar uitspraak te doen is de mogelijkheid voor de publieke opinie om de rechtspraak te controleren. SDU heeft niet, althans onvoldoende concreet op deze zaak toegespitst, toegelicht op welke gronden zij van mening is dat dit belang (wezenlijk) wordt geschaad bij de geanonimiseerde publicatie van het arrest en de noot. Het gaat hier, zoals gezegd, om een juridische analyse over de doorbreking van een appelverbod bij een herstelvonnis. Dat het aan de publieke controle op de rechtspraak ten goede zou komen als de door SDU gepubliceerde uitspraak en noot ongeanonimiseerd kan worden doorgenomen valt niet in te zien (waarbij het hof nog aantekent dat al zeker niet kan worden gezegd dat ongeanonimiseerde publicatie daarvoor noodzakelijk is). Ook is hier niet aan de orde het door SDU genoemde belang dat het ongeanonimiseerd duiden van personen die vermeld worden in (veelal ingewikkelde) gerechtelijke uitspraken het de lezer makkelijker maakt om dezelfde persoon in verschillende hoedanigheden te volgen in het verloop van de procedure (zulks nog daargelaten of dit tot een andere belangenafweging zou moeten leiden). Het hof verwijst in dit verband naar de op rechtspraak.nl gepubliceerde geanonimiseerde uitspraak (inl. dagv. prod 1). SDU heeft niet (concreet) aangegeven op welke punten dit op rechtspraak.nl gepubliceerde arrest moeilijk leesbaar zou zijn. De stelling dat SDU niet is gebonden aan de anonimiseringsrichtlijn die geldt voor publicatie op rechtspraak.nl is in dit verband niet relevant. Bij pleidooi heeft SDU nog gewezen op artikel 28 lid 2 Rv. Deze bepaling geeft, kort gezegd, in beginsel recht op een ongeanonimiseerd afschrift van de gerechtelijke uitspraak in civiele zaken. Dit betekent echter niet dat SDU bij de beoordeling van de vraag of ongeanonimiseerde publicatie van het arrest en de noot noodzakelijk is niet zou behoeven te toetsen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

22. SDU heeft voorts niet, althans onvoldoende concreet gemotiveerd toegelicht op welke gronden zij van mening is dat zij als juridisch tijdschrift een betere bijdrage levert aan de behoefte van het wetenschappelijk discours door zaken niet geanonimiseerd te duiden. Voor zover hier in zijn algemeenheid al enige rechtvaardiging in valt te vinden (zoals volgens SDU breed in de literatuur wordt gedragen) doet ook dit er niet aan af dat de hiervoor genoemde toetsing moet plaatsvinden. Dat een belangenafweging moet plaatsvinden lijkt SDU overigens ook te onderkennen met haar stelling dat uitspraken die straf -en familierecht betreffen worden geanonimiseerd en dat voor de overige zaken de noodzaak tot anonimisering per geval wordt beoordeeld. Volgens SDU is deze belangenafweging in dit geval ten nadele van [appellant] uitgevallen. Zoals hiervoor is overwogen volgt het hof deze uitkomst niet.

24. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat SDU met het geautomatiseerd verwerken van de persoonsgegevens van [appellant] en de ongeanonimiseerde publicatie daarvan in strijd heeft gehandeld met artikel 8 suf f Wbp en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [appellant] heeft geschonden. SDU heeft met deze handelwijze onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld. 30. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat [appellant] recht heeft op toekenning van immateriële schadevergoeding. Dit recht vindt zijn grondslag in het feit dat SDU heeft gehandeld in strijd met artikel 8 sub f Wbp en door haar handelwijze het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [appellant] heeft geschonden. Een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW, die aanspraak geeft op vergoeding van immateriële schade. Het hof zal gelet op alle hiervoor besproken omstandigheden van het geval, waaronder de aard , duur en de ernst van de inbreuk, deze schade naar billijkheid vaststellen op € 1.500,--. Het hof voegt hier aan toe dat het op zich zelf genomen juist is dat artikel 49 lid 2 Wbp een eigen ingang kent voor de vordering van naar billijkheid vast te stellen schade die niet in vermogensschade bestaat, maar dat leidt niet tot een ander oordeel over het in deze zaak toe te wijzen bedrag. Dit geldt ook voor de stelling dat de omvang van de billijke immateriële schade volgens rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens adequaat moet zijn. Naar het oordeel van het hof voldoet het toe te wijzen bedrag aan deze norm.