Gepubliceerd op donderdag 3 september 2026
IT 5497
Rechtbank Amsterdam ||
26 aug 2026,
Rechtbank Amsterdam 26 aug 2026,, IT 5497; ECLI:NL:RBAMS:2026:8656 (Dooyoo c.s. tegen Google c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-bevoegd-in-google-shopping-schadezaak-google-nl-kan-als-ankergedaagde-dienen

Rechtbank Amsterdam bevoegd in Google Shopping-schadezaak; Google NL kan als ankergedaagde dienen

Rb. Amsterdam 26 augustus 2026, RB 4125; IT 5497; ECLI:NL:RBAMS:2026:8656 (Dooyoo c.s. tegen Google c.s.). Dooyoo c.s. vordert in de hoofdzaak schadevergoeding van verschillende Nederlandse, Amerikaanse en andere buitenlandse Google-vennootschappen wegens het door de Europese Commissie vastgestelde misbruik van machtspositie door Google bij de bevoordeling van haar eigen prijsvergelijkingsdienst Google Shopping. In dit bevoegdheidsincident staat centraal of de rechtbank Amsterdam ook internationaal bevoegd is ten aanzien van de buitenlandse gedaagden. Voor Google NL en Google NL Holdings volgt de internationale bevoegdheid uit artikel 4 Brussel I-bis, omdat zij in Amsterdam zijn gevestigd. Voor de overige in de Europese Unie gevestigde gedaagden beoordeelt de rechtbank de bevoegdheid aan de hand van artikel 8, punt 1, Brussel I-bis en voor de in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten gevestigde gedaagden aan de hand van artikel 7 lid 1 Rv. Daarbij sluit zij aan bij het arrest van het HvJ van 16 april 2026 in de zaken Stroomkabels en Kartonverpakkingen. In het kader van de bevoegdheidsvraag hoeft nog niet definitief te worden vastgesteld dat de ankergedaagde met de andere Google-vennootschappen één economische eenheid vormt. Een prima facie-beoordeling volstaat: voldoende is dat niet is uitgesloten dat zij tot dezelfde onderneming behoren en dat aannemelijk is dat aan de Sumal-criteria is voldaan. Daarvoor moet onder meer een concreet verband bestaan tussen de economische activiteit van de dochtervennootschap en het voorwerp van de mededingingsinbreuk.

Volgens de rechtbank is dat concrete verband voor Google NL aannemelijk. Google NL verleende marketing- en verkoopondersteunende diensten aan adverteerders op Google-platforms, mede in het kader van de verkoop van betaalde zoekresultaten en Shopping Ads. Dat Google NL de advertenties niet zelf verkocht, niet zelf de inbreuk pleegde en daarop geen invloed kon uitoefenen, is niet beslissend: voor het tweede Sumal-criterium gaat het erom of haar economische activiteit voldoende verband houdt met het voorwerp van de inbreuk. Daarom bestaat een nauwe band tussen de vorderingen tegen Google NL enerzijds en Google LLC en Alphabet anderzijds. Ook voor de overige buitenlandse Google-vennootschappen is voldoende aannemelijk dat zij lokaal vergelijkbare marketing- en verkoopondersteunende activiteiten verrichtten, zodat Google NL ook voor hen als ankergedaagde kan fungeren. De rechtbank is daarmee internationaal bevoegd ten aanzien van alle buitenlandse gedaagden en laat in het midden of Google NL Holdings eveneens als ankergedaagde kan dienen. Voor zover Dooyoo schade vordert die na 28 september 2017 is geleden, begrijpt de rechtbank haar vordering uitsluitend als een follow-onvordering wegens na-ijleffecten van de door de Commissie vastgestelde inbreuk; een afzonderlijke bevoegdheidsbeoordeling voor een stand-alonevordering is daarom niet aan de orde. Ten slotte wijst de rechtbank het verzoek van Google c.s. af om de hoofdzaak aan te houden in afwachting van de prejudiciële beslissing in de Trucks-zaak. De procedure wordt voortgezet en verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord.

4.7.

De bepalingen van Brussel I bis moeten autonoom worden uitgelegd in het licht van de ontstaansgeschiedenis, de doelstellingen en het systeem van de verordening en de rechtspraak van het HvJ over Brussel I bis en de voorlopers daarvan. Uit vaste rechtspraak van het HvJ over de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregels van Brussel I bis blijkt onder meer het volgende.

4.7.1.

De bijzondere bevoegdheidsregels die een uitzondering vormen op de algemene regel, moeten als zodanig strikt worden uitgelegd. Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in de Brussel I bis uitdrukkelijk bedoelde gevallen.

4.7.2.

De rechter die onderzoekt of hem rechtsmacht toekomt, moet zich bij dit onderzoek niet beperken tot de stellingen van de eiser, maar moet ook acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verweerder. Het onderzoek naar de rechtsmacht mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende partij gekozen grondslag van haar vordering. De rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken. Indien de verweerder de stellingen van de eiser betwist, hoeft de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid te geven voor bewijslevering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten, omdat daarmee op het onderzoek naar de gegrondheid van de vorderingen vooruit zou worden gelopen. Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van deze vraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht (prima facie-oordeel).

4.7.3.

Het is aan de nationale rechter om, rekening houdend met alle noodzakelijke elementen van het dossier, te beoordelen of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zijn (en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat). Het gevaar op onverenigbare beslissingen moet worden begrepen als het gevaar op tegenstrijdige beslissingen. Daarbij kan van belang zijn of de gedaagden onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld. Ook de rechtsgrondslag van de vorderingen zal de rechter in zijn beschouwing moeten betrekken, waarbij geldt dat niet is vereist dat de vorderingen dezelfde rechtsgrondslag hebben. Overeenstemming van de rechtsgrondslag vormt echter wel een relevante factor bij de beoordeling of de verschillende vorderingen samenhangend zijn. Verder geldt dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig kunnen worden geacht in de zin van artikel 8, aanhef en punt 1, Brussel I bis-Verordening op grond van enkele divergentie in de beslechting van het geschil; vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.

4.7.4.

Een verzoeker kan niet op grond van artikel 8 punt 1 Brussel I bis een vordering tegen meerdere verweerders instellen met het enkele doel om een van die verweerders te onttrekken aan de gerechten van de staat waar hij zijn woonplaats heeft en aldus de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsregel omzeilen door de voorwaarden voor toepassing van die bepaling op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven.

Het HvJ-arrest van 16 april 2026

4.8.

Met het arrest van het HvJ van 16 april 2026 is duidelijk dat in zaken over een mededingingsrechtelijke inbreuk een nauwe band in de zin van artikel 8, aanhef en punt 1, Brussel I bis kan bestaan tussen enerzijds een vordering tegen een ankergedaagde die geen geadresseerde is van een door de Europese Commissie (EC) vastgestelde inbreuk en anderzijds vorderingen tegen een vennootschap die als geadresseerde van een EC-inbreuk is aangemerkt of vennootschappen waarvan ernstige aanwijzingen bestaan dat zij toebehoren aan ondernemingen (in de zin van het Unierechtelijk mededingingsrecht) waaraan deze inbreuk is toegerekend.