DOSSIERS
Alle dossiers

Mededingingsrecht  

IT 5266

Raad van State: hyperlinks naar fysieke vestigingen op gokwebsite kwalificeren als reclame

Overige instanties 22 apr 2026, IT 5266; ECLI:NL:RVS:2026:2287 (Holland Casino tegen de Ksa), https://www.itenrecht.nl/artikelen/raad-van-state-hyperlinks-naar-fysieke-vestigingen-op-gokwebsite-kwalificeren-als-reclame

Raad van State 22 april 2026, RB 4008; IT 5266; ECLI:NL:RVS:2026:2287 (Holland Casino tegen de Ksa). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de Kansspelautoriteit (Ksa) Holland Casino terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens verboden reclame-uitingen op haar online kansspelinterface. Centraal stond de vraag of hyperlinks naar fysieke vestigingen en restaurants van Holland Casino op de website voor online kansspelen kwalificeren als “wervings- en reclameactiviteiten” in de zin van het Besluit kansspelen op afstand (Bkoa). Holland Casino beschikte sinds 1 oktober 2021 naast vergunningen voor fysieke casino’s ook over een vergunning voor online kansspelen. Op de online kansspelwebsite stonden navigatieknoppen met onder meer de teksten “vestigingen” en “restaurants”. Via deze hyperlinks konden bezoekers doorklikken naar pagina’s over de fysieke casino’s en horeca-activiteiten van Holland Casino. Volgens de Ksa was dit in strijd met artikel 4.2 lid 5 Bkoa, dat bepaalt dat op de kansspelinterface geen reclame mag worden gemaakt voor andere goederen of diensten dan de vergunde online kansspelen. Daarom legde de Ksa een last onder dwangsom van maximaal €25.000 op.

IT 5222

Hof van Justitie EU verduidelijkt consumentenbegrip bij gemengde energiecontracten

HvJ EU 8 mei 2025, IT 5222; ECLI:EU:C:2025:325 (I. SA tegen S. J.), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hof-van-justitie-eu-verduidelijkt-consumentenbegrip-bij-gemengde-energiecontracten

Hof van Justitie EU 8 mei 2026, RB 4002; IT 5222; ECLI:EU:C:2025:325 (I. SA tegen S. J.). In deze zaak stond de vraag centraal of een landbouwer, die een elektriciteitscontract met vaste looptijd had gesloten voor zowel zijn boerderij als zijn privéwoning, als 'consument' kon worden aangemerkt onder Richtlijn 93/13. De landbouwer had het contract voortijdig opgezegd, waarna de leverancier een contractuele boete van ruim € 1.100 vorderde. De nationale rechter twijfelde over de status van de landbouwer bij deze 'gemengde overeenkomst', mede omdat het contract expliciet vermeldde dat het voor niet-consumenten bestemd was. Daarnaast rees de vraag of de Poolse energiewet, die boetes bij voortijdige opzegging toestaat, wel verenigbaar is met de Europese regels voor de elektriciteitsmarkt (Richtlijn 2009/72), die een hoog niveau van consumentenbescherming en het recht op kosteloze leverancierswisseling voorschrijven.

IT 5207

ACM mocht handhavingsverzoek Warmtewet afwijzen wegens ontbreken rendementstoets 2022

Rechtbank Rotterdam 27 mrt 2026, IT 5207; ECLI:NL:RBROT:2026:3315 ([eisers] tegen de ACM), https://www.itenrecht.nl/artikelen/acm-mocht-handhavingsverzoek-warmtewet-afwijzen-wegens-ontbreken-rendementstoets-2022

Rb. Rotterdam 27 maart 2026, IT 5207; ECLI:NL:RBROT:2026:3315 ([eisers] tegen de ACM). De Rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat de ACM een handhavingsverzoek tegen Eneco Warmte en Koude Leveringsbedrijf (EWK) terecht heeft afgewezen voor het jaar 2022. [eisers] stelden dat zij te veel hadden betaald voor warmte en verzochten de ACM om op grond van artikel 7 Warmtewet een rendementstoets uit te voeren en handhavend op te treden tegen EWK. Volgens hen behaalde EWK een hoger dan redelijk rendement. De ACM wees dit verzoek af, omdat voor 2022 nog geen maatstaf voor een “redelijk rendement” bestond.

IT 5161

Prejudiciële vragen gesteld over inzagerecht van een mededingingsautoriteit

HvJ EU 7 nov 2025, IT 5161; C-711/25 (Ryanair DAC en Ryanair Holdings Plc tegen Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (AGCM)), https://www.itenrecht.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-inzagerecht-van-een-mededingingsautoriteit

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 7 november 2025, RB 3988; IT 5161; IEFbe 4162; C/2026/295 (Ryanair DAC en Ryanair Holdings Plc tegen Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (AGCM)) via MinBuza. De Italiaanse mededingingsautoriteit AGCM doet onderzoek naar Ryanair vanwege vermoeden van gedrag dat misbruik van een machtspositie kan opleveren (onder artikel 102 VWEU). De Ierse autoriteit heeft bijstand verleend aan het mededingingsonderzoek, en zij hebben een ‘search warrant’ verkregen voor onderzoek op de kantoren van Ryanair. Ryanair is tegen die beslissing in beroep gegaan, en heeft in februari 2024 bij de AGCM verzocht om inzage in het dossier. Ter discussie staat of artikel 27, lid 2 van verordening 1/2003, dat stelt dat partijen ‘recht hebben tot inzage van het dossier van de Commissie’ ook geldt voor verzoeken die door nationale mededingingsautoriteiten worden ingediend bij andere nationale autoriteiten, krachtens art. 22, lid 1.

IT 5148

HvJEU: "Koop op rekening” is een verkoopbevorderende aanbieding, transparantie vereist

HvJ EU 15 mei 2025, IT 5148; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix Handelsgesellschaft mbH), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hvjeu-koop-op-rekening-is-een-verkoopbevorderende-aanbieding-transparantie-vereist

HvJ EU 25 mei 2025, RB 3984; IT 5148; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix). In deze prejudiciële procedure staat de vraag centraal of een onlinereclame waarin een bijzondere betalingswijze (koop op rekening) wordt aangeboden, kwalificeert als een verkoopbevorderende aanbieding in de zin van artikel 6, onder c), van Richtlijn 2000/31/EG (e-commercerichtlijn). De Duitse consumentenorganisatie betoogt dat de reclame misleidend is, omdat niet direct wordt vermeld dat gebruik van deze betaalmethode afhankelijk is van een kredietwaardigheidscontrole.

IT 5146

Rechtbank Amsterdam: volledige eliminatie van beide misbruikselementen bepalend voor schadeberekening in Google Shopping-zaak

Rechtbank Amsterdam 5 nov 2025, IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google), https://www.itenrecht.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-volledige-eliminatie-van-beide-misbruikselementen-bepalend-voor-schadeberekening-in-google-shopping-zaak

Rb. Amsterdam 5 november 2025, RB 3983; IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google). Dit tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam gaat over een follow-on schadeprocedure naar aanleiding van het besluit van de Europese Commissie over misbruik van machtspositie door Google [IT 4618]. De Commissie had vastgesteld dat Google haar eigen productvergelijkingsdienst (Google Shopping) systematisch bevoordeelde ten opzichte van concurrerende diensten. Dit besluit is inmiddels definitief bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarmee de inbreuk en de onrechtmatigheid vaststaan. In deze procedure vordert Wolfson Capital Limited schadevergoeding, gebaseerd op aan haar gecedeerde vorderingen van de productvergelijkers Compare en Kieskeurig. De procedure bevindt zich in de fase van schadebegroting. Centraal staat de vraag welk hypothetisch scenario zonder inbreuk (de counterfactual) moet worden gehanteerd om de schade te bepalen. De kern van het geschil is of bij dit scenario beide elementen van het door de Commissie vastgestelde misbruik moeten worden weggedacht, of slechts één. Het misbruik bestond uit een combinatie van twee praktijken: (i) de prominente en gunstige weergave van Google Shopping in de zoekresultaten en (ii) de minder gunstige rangschikking van concurrerende productvergelijkers door middel van algoritmes. Wolfson stelt dat beide elementen moeten worden geëlimineerd om een reëel beeld te krijgen van de situatie zonder inbreuk. Google betoogt daarentegen dat het volstaat om slechts één element weg te denken, en dat verschillende alternatieve scenario’s denkbaar zijn waarin haar gedrag deels gehandhaafd blijft.

IT 5134

EFTA Court: Noorwegen schendt EER-verplichtingen door NIS-uitvoeringsverordening niet te implementeren

Overige instanties 11 mrt 2026, IT 5134; E-20/25 (EFTA Surveillance Authority tegen Noorwegen), https://www.itenrecht.nl/artikelen/efta-court-noorwegen-schendt-eer-verplichtingen-door-nis-uitvoeringsverordening-niet-te-implementeren

EFTA Court 11 maart 2026, IT 5134; IEFbe 4127; E-20/25 (EFTA Surveillance Authority tegen Noorwegen). Het EFTA Surveillance Authority (ESA) stelde bij het EFTA Court een beroep in wegens niet-nakoming tegen Noorwegen op grond van artikel 31 van de Surveillance and Court Agreement (SCA). ESA verzocht het Hof vast te stellen dat Noorwegen zijn verplichtingen uit artikel 7 van de EER-Overeenkomst niet was nagekomen doordat het Commission Implementing Regulation (EU) 2018/151 niet tijdig in zijn nationale rechtsorde had opgenomen. Deze uitvoeringsverordening, die nadere regels bevat voor het risicobeheer en incidentmelding door digitale dienstverleners in het kader van de NIS-richtlijn (Directive (EU) 2016/1148), werd via Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 21/2023 toegevoegd aan bijlage XI van de EER-Overeenkomst. Het besluit trad op 1 augustus 2024 in werking, waarna de betrokken EFTA-staten de verplichting hadden de verordening in hun interne rechtsorde op te nemen. Omdat ESA geen kennisgeving had ontvangen van nationale implementatiemaatregelen, werd op 4 november 2024 een formele aanmaning aan Noorwegen gestuurd. Noorwegen erkende in zijn reactie dat de noodzakelijke maatregelen nog niet waren vastgesteld. Vervolgens bracht ESA op 26 maart 2025 een met redenen omkleed advies uit, waarbij Noorwegen tot 26 mei 2025 de tijd kreeg om aan zijn verplichtingen te voldoen. Noorwegen gaf aan dat de implementatiemaatregelen naar verwachting pas in de tweede helft van 2025 in werking zouden treden.  

IT 5131

Rechtbank Rotterdam: ACM mocht toezeggingen van Ticketmaster bindend verklaren

Rechtbank Rotterdam 6 mrt 2026, IT 5131; ECLI:NL:RBROT:2026:2165 (TicketSwap tegen de ACM), https://www.itenrecht.nl/artikelen/rechtbank-rotterdam-acm-mocht-toezeggingen-van-ticketmaster-bindend-verklaren

Rb. Rotterdam 6 maart 2026, IT&R 5131; ECLI:NL:RBROT:2026:2165 (TicketSwap tegen de ACM). De Rechtbank Rotterdam beoordeelt in deze zaak het beroep van TicketSwap tegen het besluit van de ACM om toezeggingen van Ticketmaster bindend te verklaren op grond van artikel 12h Instellingswet ACM. Aanleiding was een klacht en later een handhavingsverzoek van TicketSwap over de doorverkoop van door Ticketmaster uitgegeven mobile-only tickets. De ACM heeft in haar onderzoek geen overtreding vastgesteld, maar wel drie mededingingsrisico’s geïdentificeerd: een gebrek aan concurrentie op de secundaire ticketmarkt, het ontbreken van de mogelijkheid om mobile-only tickets op Ticketmasters eigen doorverkoopplatform onder de oorspronkelijke prijs aan te bieden, en het risico dat effectieve concurrentie in de praktijk wordt bemoeilijkt door deactivering van de transferfunctionaliteit en gebrekkige informatievoorziening. Vervolgens heeft Ticketmaster toezeggingen gedaan, onder meer over het gebruik van de transferfunctionaliteit, verkoop onder de originele prijs en informatieverstrekking; die toezeggingen heeft de ACM op 20 december 2024 bindend verklaard. De rechtbank stelt voorop dat deze bevoegdheid van de ACM discretionair is en daarom terughoudend moet worden getoetst: beslissend is of de ACM zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toezeggingen de door haar vastgestelde mededingingsrisico’s adequaat wegnemen.

IT 5102

Prejudiciële vragen gesteld in zaak tussen ACM en Samsung

Overige instanties 3 feb 2026, IT 5102; ECLI:NL:CBB:2026:34 (Samsung tegen ACM), https://www.itenrecht.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-in-zaak-tussen-acm-en-samsung

CBb 3 februari 2026, IT 5102; ECLI:NL:CBB:2026:34 (Samsung tegen ACM). Het geschil betreft de vraag of de ACM terecht aan Samsung een boete van €39.875.500 heeft opgelegd wegens het vaststellen van online wederverkoopprijzen van Samsung-televisies door zeven detailhandelaren in de periode van 9 januari 2013 tot en met 7 december 2018. De ACM startte haar onderzoek naar aanleiding van signalen en verklaringen van detailhandelaren en concludeerde dat Samsung artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 101 VWEU had overtreden. Volgens de ACM heeft Samsung door diverse gedragingen structureel invloed uitgeoefend op de online verkoopprijzen, met als doel de prijsconcurrentie tussen detailhandelaren te beperken. De ACM kwalificeerde deze gedragingen als een enkele voortdurende inbreuk met een mededingingsbeperkende strekking, zodat onderzoek naar daadwerkelijke mededingingsgevolgen niet nodig werd geacht. De rechtbank heeft het beroep van Samsung ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBROT:2023:10490). Er was sprake van verticale prijsafstemming in de vorm van een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging, die naar haar aard de mededinging beperkte. Dat geen sprake was van contractuele dwang of financiële prikkels, stond volgens de rechtbank niet in de weg aan deze kwalificatie. De opgelegde boete werd passend en geboden geacht.  

IT 5070

P-G Drijber over Dynamic Security en misbruik van machtspositie

Hoge Raad 12 dec 2025, IT 5070; ECLI:NL:PHR:2025:1362 (Digital Revolution tegen HP), https://www.itenrecht.nl/artikelen/p-g-drijber-over-dynamic-security-en-misbruik-van-machtspositie

Parket bij de HR 12 december 2025, RB 3954; IT 5070; ECLI:NL:PHR:2025:1362 (Digital Revolution tegen HP). In deze zaak vordert Digital Revolution dat HP stopt met het gebruik van Dynamic Security in haar printers. Met Dynamic Security wijzigt HP periodiek de geheime code in haar printers. Zij doet dit naar eigen zeggen om de printers te beschermen tegen illegale cartridges. Het wijzigen van de geheime code heeft alleen ook tot gevolg dat legale huismerkcartridges van derden, zoals Digital Revolution, niet meer door de printer geaccepteerd worden. Volgens Digital Revolution is deze praktijk aan te merken als misbruik van machtspositie en daarom als strijdig met het mededingingsrecht. Daarnaast betichten Digital Revolution en HP elkaar van misleidende en oneerlijke handelspraktijken. De rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2021:8167) wees de klachten van Digital Revolution af, het hof bevestigde dit oordeel van de rechtbank.