29 jul 2026,
Rechtbank: politie handelt onrechtmatig door politiegegevens met ANWB te delen
Rb. Den Haag 29 juli 2026, IT 5494; ECLI:NL:RBDHA:2026:21977 ([eisers] tegen de politie). De rechtbank oordeelt dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld door in 2022 politiegegevens over een ondernemer met de ANWB te delen. De politie heeft de ANWB meegedeeld dat de ondernemer werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden en heeft conclusies uit een proces-verbaal met restinformatie gedeeld. Volgens de rechtbank vond deze gegevensverstrekking plaats op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) en niet op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel 19 Wpg staat incidentele verstrekking van politiegegevens aan derden slechts toe voor bepaalde wettelijke doeleinden en indien dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, waarbij ook aan proportionaliteit en subsidiariteit moet zijn voldaan. De politie heeft onvoldoende onderbouwd hoe de verstrekking aan de ANWB kon bijdragen aan de bestrijding van drugscriminaliteit of het voorkomen van reputatieschade bij de ANWB. Daarbij weegt mee dat de politie de ANWB ook wilde bewegen de licentieovereenkomst met de ondernemer te heroverwegen en daarmee probeerde in te grijpen in hun civielrechtelijke relatie. Ook mondeling of informeel verstrekte persoonsgegevens vallen onder de Wpg.
De rechtbank concludeert dat de politie zonder geldige rechtsgrond politiegegevens heeft gedeeld en daarmee zowel de geheimhoudingsplicht van artikel 7 Wpg als artikel 19 Wpg heeft geschonden. Mede vanwege de inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer is dit onrechtmatig jegens de ondernemer. De vordering voor zover die betrekking heeft op de vennootschap wordt afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat de politie gegevens over die vennootschap aan de ANWB heeft verstrekt. De rechtbank acht aannemelijk dat de ondernemer schade heeft geleden, onder meer omdat de ANWB de pechhulpverlening enkele maanden heeft stilgelegd, maar kan de omvang daarvan nog niet vaststellen. De zaak wordt daarom verwezen naar de schadestaatprocedure. De rechtbank verklaart voor recht dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor geleden en nog te lijden schade.
Wettelijke kader
5.5.
Bij de uitvoering van haar wettelijke taken krijgt de politie de beschikking over vele soorten gegevens, vaak van gevoelige aard. Ambtenaren van politie zijn verplicht deze gegevens geheim te houden; zij mogen deze gegevens niet zomaar met anderen delen, ook niet met andere overheden. Wanneer de politie gegevens deelt ter vervulling van een wettelijke taak, moet zij bij het delen aan bepaalde voorwaarden voldoen. De voorwaarden waaronder en de wijze waarop zij politiegegevens mag delen, staan in nationale en Europese regelgeving.
5.6.
In februari 2022 bestond het wettelijk kader voor het delen van politiegegevens uit de – op dat moment geldende versie van de – Wpg en de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp). Beide regelingen zijn nationale uitwerkingen van Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (hierna: de Privacyrichtlijn) en, meer in het algemeen, van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
5.7.
Het door de politie op incidentele basis verstrekken van gegevens aan derden, zoals hier aan de orde, was en is geregeld in artikel 19 Wpg. Dit artikel is grotendeels gelijkluidend aan het voorheen geldende artikel 9 Wet Persoonsregistraties (WPR). De politie mag gegevens alleen verstrekken voor bepaalde in artikel 19 Wpg geformuleerde doeleinden, te weten (a) het voorkomen en opsporen van strafbare feiten, (b) het handhaven van de openbare orde, (c) het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven of (d) het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving. In de tweede plaats geldt dat de verstrekking noodzakelijk moet zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. Met dit criterium wordt aangegeven dat de verstrekking voor de samenleving van meer dan gewone betekenis moet zijn. Daarbij gelden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, wat betekent dat dit belang dermate zwaarwegend moet zijn dat het belang van verstrekking aan derden zwaarder weegt dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben. In de derde plaats wordt de beslissing van de verantwoordelijke tot verstrekking van politiegegevens genomen met instemming van het op grond van de Politiewet 1993 bevoegde gezag, in dit geval het OM.1