Gepubliceerd op maandag 31 augustus 2026
IT 5479
Rechtbank Noord-Holland ||
13 aug 2026,
Rechtbank Noord-Holland 13 aug 2026,, IT 5479; ECLI:NL:RBNHO:2026:10903 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rectificatie-afgewezen-wegens-ontbreken-spoedeisend-belang-uitlatingen-niet-aan-het-publiek-gedaan

Rectificatie afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang; uitlatingen niet aan het publiek gedaan

Rb. Noord-Holland 13 augustus 2026, IT 5479; ECLI:NL:RBNHO:2026:10903 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eiser tot rectificatie af. Eiser en gedaagde zijn voormalig zwager en schoonzus. Op 20 juni 2025 troffen zij elkaar in een supermarkt, waarbij zij elkaar op enig moment hebben aangeraakt. Gedaagde maakte hiervan melding bij de politie. Eiser stelde dat gedaagde ten onrechte zou hebben gezegd dat hij haar had mishandeld en/of geduwd en vorderde onder meer dat zij die uitlatingen zou rectificeren, het vonnis bij de politie zou laten opnemen en zich zou onthouden van soortgelijke uitlatingen. Volgens eiser hielden de gestelde uitlatingen verband met het feit dat hij sinds het incident geen omgang meer had met het door hem erkende zoontje van zijn voormalige partner. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser zijn spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het incident had ruim een jaar vóór het kort geding plaatsgevonden en eiser beschikte kort daarna al over camerabeelden die volgens hem zijn onschuld aantoonden. Van hem mocht daarom worden verwacht dat hij eerder actie had ondernomen. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat het incident in de supermarkt de enige reden is dat geen omgang meer plaatsvindt.

Ten overvloede oordeelt de voorzieningenrechter dat de gevorderde rectificatie ook inhoudelijk niet kan worden toegewezen. Eiser heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke uitlatingen gedaagde precies over het incident heeft gedaan en tegenover wie, waardoor evenmin duidelijk is wat zij zou moeten rectificeren. Voor zover gedaagde haar lezing van het incident heeft gedeeld met haar ouders, zus en partner en daarvan melding heeft gemaakt bij de politie, is geen sprake van een publicatie in de zin van artikel 6:167 lid 1 BW. Hoewel het begrip “publicatie” ruim moet worden uitgelegd, is vereist dat een publiek – een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden – van de mededeling kennis kan nemen. De politie en de eigen familiekring van gedaagde vormen in dit geval niet zo’n publiek. Daarbij heeft gedaagde in de procedure verklaard dat het incident geen mishandeling was. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van € 1.707.

Juridisch kader

4.2.

In artikel 6:167 lid 1 BW staat dat als iemand tegenover een ander aansprakelijk is voor een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard, de rechter hem op vordering van die ander kan veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze.

Geen spoedeisend belang

4.3.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft.

4.4.

De voorzieningenrechter is met [gedaagde] van oordeel dat [eiser] zijn spoedeisend belang bij de vordering tot rectificatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Een procedure in kort geding dient ertoe om, indien daarbij voldoende belang bestaat, op korte termijn ordemaatregelen te kunnen treffen. Het incident in de Jumbo heeft plaatsgevonden op 20 juni 2025. Dat is inmiddels ruim een jaar geleden. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij de camerabeelden van het incident al snel na 20 juni 2025 in zijn bezit heeft gekregen. Volgens hem tonen de camerabeelden zijn onschuld aan. In de dagvaarding heeft toegelicht dat hij - naar eigen zeggen - al sinds juli 2025 veelvuldig geconfronteerd is met de gevolgen van de gestelde uitlatingen van [gedaagde] over het incident en stelt dat hij door de uitlatingen van [gedaagde] zijn zoontje [zoon] niet meer mag zien.

4.5.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat van [eiser] verwacht kon worden dat hij eerder actie had ondernomen als hij van mening is dat het incident in de supermarkt de omgang met zijn zoon blokkeerde. Ook had hij aan de hand van het bewijs waarover hij beschikte (de camerabeelden, die volgens hem zijn onschuld aantonen) de vermeende stellingen van zijn ex-partner over het incident in de supermarkt kunnen weerleggen om zo het pad naar omgang met zijn zoon te effenen. Onvoldoende duidelijk is welk belang [eiser] op dit moment nog heeft bij zijn vordering. Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd toegelicht dat de directe aanleiding voor dit kort geding is dat hij recent een vervelende brief heeft ontvangen over [zoon] . Wat daarvan zij, dat maakt de onderhavige vordering nog niet spoedeisend. De omgang tussen [eiser] en zijn zoon staat niet in deze procedure centraal. Daarvoor zijn andere procedures. Daarbij is er in de tussentijd al veel gebeurd rondom [eiser] , zijn ex-partner [zus] en [zoon] , onder andere bij de rechtbank en bij andere instanties, zodat om die reden ook niet valt in te zien welk spoedeisend belang er nog is bij de vordering tot rectificatie. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat het incident in de supermarkt de enige reden is dat er geen omgang meer is tussen [eiser] en zijn zoon.

4.6.

Nu het (spoedeisend) belang bij de vorderingen van [eiser] onvoldoende aannemelijk is, moeten de vorderingen alleen al op die grond afgewezen worden.