IT 3223

Rectificatie niet toegewezen bij negatieve uitlatingen op Facebook over hondenfokker

Vzr. Rechtbank Limburg 18 augustus 2020, IT 3223; ECLI:NL:RBLIM:2020:6117 (Eisers tegen gedaagde) Kort geding. Mediarecht. Onrechtmatige uitlatingen. Gedaagde heeft bij eisers een pup van het ras Australian Shepherd gekocht. Kort erna is de pup ziek geworden en moest deze worden ingeslapen. Gedaagde heeft toen op Facebook een bericht geplaatst waarin zij zich negatief uitlaat over eisers. Eisers vorderen a) gedaagde te verbieden zich op een dergelijke manier uit te spreken jegens eisers, b) gedaagde te gebieden de negatieve berichtgeving van Facebook en/of Instagram te halen en c) een rectificatie openbaar op Facebook te plaatsen. Bij beantwoording van de vraag of de uitlatingen onrechtmatig zijn, dient voorop gesteld te worden dat uit de grondwettelijk en verdragsrechtelijk gewaarborgde vrijheid van meningsuiting voortvloeit dat een ieder het recht heeft om gedachten en gevoelens van welke inhoud dan ook, te uiten. Dit recht kan enkel worden beperkt in het geval iemands eer en goede naam op onrechtmatige wijze wordt aangetast. Vordering a) wordt afgewezen, omdat deze te ruim geformuleerd is. Vordering b) wordt afgewezen, omdat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat gedaagde zich in de toekomst nog een keer op zo’n manier zal uitlaten over eisers. Vordering c) wordt afgewezen, omdat de voorzieningenrechter vindt dat rectificatie geen passende oplossing is. Hierbij kan in het midden worden gelaten of de uitlatingen onrechtmatig zijn. De voorzieningenrechter oordeelt dat het effect van een eventuele rectificatie zodanig gering is dat het geen passende oplossing biedt. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.3. Kern van het geschil tussen partijen is of [gedaagde] uitlatingen heeft gedaan die onrechtmatig jegens [eisers] zijn. Bij beantwoording van die vraag dient voorop te worden gesteld dat uit de grondwettelijk en verdragsrechtelijk gewaarborgde vrijheid van meningsuiting (artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, hierna EVRM) voortvloeit dat een ieder het recht heeft om gedachten en gevoelens van welke inhoud dan ook, te uiten. Dat betekent dat een ieder de vrijheid heeft zijn of haar hart te luchten en zich op negatieve wijze over iemand anders uit te laten, ook als die uitlatingen een beschuldiging aan het adres van een ander inhouden. Dat recht om vrijelijk zijn mening te uiten, vindt zijn begrenzing in het geval daarmee iemands eer en goede naam op onrechtmatige wijze wordt aangetast (artikel 10 lid 2 EVRM). Of daarvan sprake is, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden.

4.7. Met betrekking tot de vordering onder C overweegt de voorzieningenrechter eveneens dat de verzochte voorziening moet worden afgewezen gelet op het volgende. In het midden kan worden gelaten of de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn. Zelfs als sprake zou zijn van onrechtmatige uitlatingen zijdens [gedaagde] , dan zou de verzochte voorziening worden geweigerd. Artikel 6:167 BW kent de voorzieningenrechter een discretionaire bevoegdheid toe: de voorzieningenrechter kan de gevraagde voorziening, in het geval dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen, weigeren indien de rectificatie geen passende oplossing is. Daarvan is in dit geval sprake. Vast staat dat [gedaagde] het bericht weliswaar heeft verwijderd, maar het bericht is niet helemaal van Facebook verdwenen. In de Facebook-accounts van de personen die het bericht van [gedaagde] hebben gedeeld is het bericht zelf weliswaar niet langer meer zichtbaar en staat vermeld “dit bericht is verwijderd”, maar de reacties op het gedeelde bericht zijn nog wel steeds in de tijdslijn terug te vinden. Daarnaast zijn er personen die een printscreen of foto hebben gemaakt van het bericht van [gedaagde] en dat op hun eigen profiel hebben geplaatst. De verwijdering van het bericht door [gedaagde] heeft daarop geen invloed gehad en hetzelfde geldt voor een rectificatie door [gedaagde] - die dan logischerwijs via hetzelfde sociale medium (Facebook) zou moeten plaatsvinden - , temeer nu niet gezegd is dat dezelfde personen een rectificatie zullen delen waardoor het bereik en daarmee het effect van een eventuele rectificatie zodanig gering is dat het geen passende oplossing biedt. De vordering onder C zal dan ook worden afgewezen.